Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3231

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/435625 / FA RK 25-2600
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:277 lid 1 BWArt. 1:266 lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 798 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel gezag moeder, beëindiging gezag vader en ondertoezichtstelling minderjarige

De moeder verzoekt herstel van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind en beëindiging van het gezag van de vader. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt eveneens beëindiging van het gezag van de vader en een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar. De vader woont op Bonaire en is sinds juli 2023 niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van het kind, dat sinds die tijd bij de moeder in Nederland verblijft.

De rechtbank oordeelt dat de moeder sinds juli 2023 feitelijk de volledige zorg en opvoeding op zich neemt, maar nog niet het gezag heeft, waardoor zij noodzakelijke beslissingen niet kan nemen. De vader is niet bereikbaar, weigert medewerking aan hulpverlening en toont geen betrokkenheid, wat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt. De Raad adviseert het gezag aan de moeder toe te wijzen en een ondertoezichtstelling in te stellen.

De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland ligt, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Gelet op de feiten en het belang van de minderjarige wordt het gezag aan de moeder hersteld, het gezag van de vader beëindigd en de ondertoezichtstelling voor een jaar toegewezen. De moeder krijgt tijdelijke ondersteuning om de opvoeding en verzorging duurzaam te dragen.

Uitkomst: De rechtbank herstelt het gezag van de moeder, beëindigt het gezag van de vader en stelt de minderjarige onder toezicht voor een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/435625 / FA RK 25-2600 (herstel gezag)
C/02/442926 / FA RK 25-6394 (gezagsbeëindiging)
C/02/442924 / JE RK 25- 2217 (ondertoezichtstelling)
Datum uitspraak: 3 april 2026
Beschikking van de rechtbank over gezagsbeëindiging, herstel gezag en ondertoezichtstelling
in de zaken van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
verzoeker inzake C/02/442926 / FA RK 25-6394 en C/02/442924 / JE RK 25- 2217,
op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is de Raad in de zaak C/02/435625 / FA RK 25-2600 gekend, om de rechtbank over het verzoek te adviseren,
en
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg,
verzoekster inzake C/02/435625 / FA RK 25-2600,
belanghebbende inzake C/02/442926 / FA RK 25-6394 en C/02/442924 / JE RK 25- 2217
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in de zaken C/02/435625 / FA RK 25-2600 en C/02/442926 / FA RK als belanghebbende aan en in de zaak C/02/442924 / JE RK 25- 2217 als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De rechtbank merkt in de zaak C/02/435625 / FA RK 25-2600 als belanghebbende aan en in de zaken C/02/442926 / FA RK en C/02/442924 / JE RK 25- 2217 als informant aan:
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 3 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
zittingsplaats Bonaire, van [datum] 2019 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding
uitgesproken. Op 5 juni 2019 verklaart de griffier dat er geen wettig middel meer kan
worden ingesteld tegen de beschikking van [datum] 2019.
2.2.
Bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 20
november 2019 is de vader alleen belast met het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds juli 2023 in Nederland bij de moeder en staat sinds 22 augustus 2023 ingeschreven op het adres van de moeder.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2025 in de zaak met kenmerk C/02/437223 / FA RK 25-3393 is de vader in de uitoefening van zijn gezag over [minderjarige] geschorst. De rechtbank heeft bij die beschikking de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 12 september 2025, zulks met dien verstande dat deze maatregel van rechtswege eindigt na drie maanden, te weten op 12 december 2025, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt in dat geval door totdat op dit verzoek is beslist en bepaald dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige die in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn, worden toegekend.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 september 2025 in de zaak met kenmerk C/02/435625 FA RK 25-2600 is de behandeling van die zaak pro forma aangehouden en iedere verdere beslissing voorbehouden.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 maart 2026 is de behandeling van alle verzoeken aangehouden tot onderhavige zitting en iedere verdere beslissing aangehouden.
2.7.
De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

C/02/435625 / FA RK 25-2600 (herstel gezag)
3.1
De moeder verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
  • de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast;
  • het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] wordt beëindigd.
C/02/442926 / FA RK 25-6394 (gezagsbeëindiging)
3.2.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen.
C/02/442924 / JE RK 25- 2217 (ondertoezichtstelling)
3.3.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. In de afgelopen maanden is er een positieve ontwikkeling geweest. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij heeft plezier bij de dagbesteding van [dagbesteding] en ook thuis gaat het goed. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij niet meer dezelfde jongen wil zijn als twee jaar geleden, maar wil veranderen en weer naar school wil gaan. De moeder verzoekt om haar met het gezag over [minderjarige] te belasten. Sinds juli 2023 vervult zij feitelijk de volledige ouderrol, maar omdat zij nog niet het gezag heeft, kan zij op dit moment niet de noodzakelijke beslissingen nemen. De vader vervult geen rol in het leven van [minderjarige] . Het contact tussen vader en [minderjarige] is sporadisch en beperkt zich tot videobellen en appjes. De vader toont verder geen betrokkenheid. De vader gaat daarnaast niet in gesprek met de voogdijraad in [woonplaats 2] , de GI hier of met (de advocaat van) de moeder. Het lukt de moeder niet om contact met de vader te krijgen en zij krijgt van hem geen toestemming voor de benodigde hulpverlening. Dit heeft tot gevolg gehad dat [minderjarige] niet de hulp heeft gekregen die hij nodig had en dat valt de vader te verwijten. De moeder verzoekt, gelet op het voorgaande, om het gezag van de vader te beëindigen. De moeder stemt in met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De samenwerking en het contact tussen haar en de GI verloopt goed, en de betrokkenheid van de GI biedt haar veel steun.
4.2.
De GI geeft, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is begin maart 2026 gestart met dagbesteding bij [dagbesteding] in [woonplaats 1] , voor vier dagen per week. [minderjarige] is een vrolijke, sportieve en enthousiaste jongen. Hij heeft een goed gevoel voor humor en is graag actief bezig. Tegelijkertijd ervaart [minderjarige] regelmatig spanning, wat zich kan uiten in boosheid, schelden en het niet luisteren naar begeleiding of zijn moeder. Het is nog onduidelijk waar deze boosheid en spanning vandaan komt. De GI acht het van belang dat dat onderzocht wordt wie [minderjarige] is, wat zijn achtergrond is en wat hij nodig heeft. Er is een aanmelding gedaan bij zowel [accommodatie 1] als bij [accommodatie 2] voor diagnostisch onderzoek. Voor beide organisaties is een intakegesprek gepland, maar het is nog onduidelijk wanneer een van deze trajecten daadwerkelijk start. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat [minderjarige] nu al dagbesteding heeft bij [dagbesteding] . Er wordt gekeken of dit naast elkaar kan lopen. Wanneer de ondertoezichtstelling wordt toegewezen, blijft de voogd van [minderjarige] ook betrokken als jeugdbeschermer en zal zij mee blijven kijken met de vervolgstappen met betrekking tot de hulpverlening. De GI acht het van belang dat zij betrokken blijft, zodat er zicht komt op wat [minderjarige] nodig heeft. Als moeder het gezag krijgt is het daarnaast van belang dat er zicht is op hoe zij omgaat met deze verantwoordelijkheid en of verdere ondersteuning nodig is.
4.3.
Ter onderbouwing van het verzoek tot beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige] voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De vader woont op [woonplaats 2] en zet zich al jaren onvoldoende in voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hij is niet in staat het gezag uit te oefenen, terwijl er veel zorgen zijn over [minderjarige] . De vader is niet bereikbaar voor [minderjarige] , hulpverleners en de moeder, en weigert gesprekken aan te gaan. Hierdoor krijgt [minderjarige] niet de benodigde hulp en ondersteuning. Met belastende uitspraken en het verbreken van contact wijst de vader [minderjarige] af. Hij ziet zijn eigen aandeel hierin niet in en geeft [minderjarige] zelfs de schuld van het contactverlies. Dit is erg schadelijk voor [minderjarige] . De problemen nemen toe en het is voor [minderjarige] niet langer te verdragen dat hij onvoldoende hulp krijgt. [minderjarige] ontwikkeling wordt hiermee ernstig bedreigd. Gelet op het voorgaande is aan de voorwaarden voor een gezagsbeëindiging van de vader voldaan.
4.4.
De Raad adviseert om het verzoek van de moeder om het gezag over [minderjarige] toe te wijzen. [minderjarige] woont bij haar en zij draagt de zorg voor hem. Het is belangrijk dat [minderjarige] ervaart dat de moeder beslissingen kan nemen en passende hulp kan regelen. De moeder heeft positieve stappen gezet. Zij is bereid om hulpverlening te accepteren en wil [minderjarige] bieden wat hij nodig heeft. Zij is in staat om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
4.5.
Tegelijkertijd verzoekt de Raad om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Er is de afgelopen tijd veel gebeurd en er zijn nog veel zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] laat veel spanningen, boosheid en agressie zien. Hij lijkt zijn eigen gedrag en emoties niet onder controle te hebben, wat leidt tot incidenten op de groep en thuis. Regulier onderwijs is voor [minderjarige] op dit moment niet haalbaar. Hij volgde dagbesteding bij [locatie] , maar is daar gestopt en gaat nu naar [dagbesteding] . Dit traject moet worden gevolgd. Daarnaast is het van belang dat er diagnostisch onderzoek wordt uitgevoerd. De moeder wil het beste voor [minderjarige] en wil hem ondersteunen, maar heeft zelf ook ondersteuning nodig. De moeder is erg betrokken bij [minderjarige] , maar er zijn bij de Raad zorgen dat zij de zorgen over [minderjarige] gedrag bagatelliseert. Daarnaast wordt gezien dat de draagkracht van moeder minder is, mede door de zorg voor haar andere kinderen. Op dit moment is zij overbelast, zowel in de opvoeding als in het regelen van praktische zaken. De Raad vindt het voor [minderjarige] passend dat moeder wordt belast met het gezag over [minderjarige] , maar acht het ook noodzakelijk dat er een ondertoezichtstelling komt, zodat de moeder gezamenlijk met de GI de juiste beslissingen kan nemen en de juiste hulpverlening kan inzetten voor [minderjarige] .

5.De beoordeling

Internationale bevoegdheid
5.1.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt dat de vader in Bonaire woont. Dit brengt met zich mee dat deze zaak een interregionaal karakter draagt, waardoor de rechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hij in deze zaak interregionaal bevoegd is. Indien dit het geval is, dient de rechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
De internationale bevoegdheid van de rechter ten aanzien van het verzoek van de moeder is al eerder beoordeeld.
5.3.
Uit de inleidende verzoeken van de Raad volgt dat de verzoeken te kwalificeren zijn als kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee vallen de verzoeken binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van Pro de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-
terVerordening). Aangezien de verzoeken na 1 augustus 2022 zijn ingediend is de Brussel II-
terVerordening temporeel van toepassing. Met uitzondering van artikel 10 Brussel Pro II-
terVerordening, is de Brussel II-
terVerordening slechts formeel van toepassing indien het kind gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een EU lidstaat. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] inmiddels in Nederland ligt en redeneert daartoe als volgt.
5.4.
Het begrip gewone verblijfplaats is meerdere malen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-
bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-
terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).
5.5.
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie arresten 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,
Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,
OL v. PQ, C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).
5.6.
Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009,
A, C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).
5.7.
Arison is met toestemming van zijn ouders naar Nederland gekomen om zich hier sinds juli 2023 te vestigen. Hoewel uit het raadsrapport blijkt dat de vader inmiddels wil dat [minderjarige] terugkomt naar [woonplaats 2] , is het de bedoeling van partijen geweest dat [minderjarige] zich bij de moeder vanaf juli 2023 duurzaam zou vestigen. Uit deze omstandigheden blijkt dat het centrum van [minderjarige] belangen zich in Nederland bevindt. Dit brengt mee dat de Brussel II-
terVerordening formeel van toepassing is, en bovendien dat de Nederlandse rechter interregionaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de Raad op grond van artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-
terVerordening.
5.8.
De rechtbank van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige is relatief bevoegd. Een minderjarige heeft zijn woonplaats bij (één van) de gezaghebbende ouders, hetgeen betekent dat [minderjarige] woonplaats buiten Nederland zich bevindt. Het werkelijke verblijf van [minderjarige] is echter bij zijn moeder (zonder gezag) in [woonplaats 1] . De rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda is derhalve relatief bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Toepasselijk recht
5.9.
Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de
lex fori,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.
Herstel gezag van de moeder
Wettelijk kader
5.10.
Op grond van artikel 1:277, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:
  • herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en
  • de ouder in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, te dragen.
5.11.
Bij de beantwoording van de vraag of herstel van het ouderlijk gezag is aangewezen, is het belang van de minderjarige het uitgangspunt. Daarbij staat het recht van het kind op een gezonde en evenwichtige groei naar zelfstandigheid centraal.
Belanghebbenden
5.12.
Uit artikel 798 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat onder een belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) overwogen dat de door artikel 798 lid 1 Rv Pro bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt enerzijds bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en anderzijds door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro.
5.13.
Ondanks dat het feit dat de vader is geschorst in de uitoefening van het gezag, is hij nog steeds een juridisch ouder die met het gezag is belast en dient hij derhalve in dit verzoek als belanghebbende aangemerkt. Nu de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] op dit moment is belast, is ook de GI belanghebbende. Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering treedt de Raad op in een adviserende rol.
Beoordeling
5.14.
Uit de stukken en de hetgeen tijdens de zitting is besproken, is het de rechtbank gebleken dat aan bovengenoemde criteria wordt voldaan. Daarbij oordeelt de rechtbank het volgende.
5.15.
[minderjarige] woont al sinds juli 2023 bij zijn moeder in Nederland. Sinds dit moment neemt zij feitelijk de volledige zorg en opvoeding op zich. Nu zij echter nog niet met het gezag is belast, is zij niet om staat om de noodzakelijke beslissingen te nemen en de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] te regelen. Uit de stukken en het gesprek ter zitting is gebleken dat het belangrijk dat [minderjarige] ervaart dat zijn moeder deze beslissingen kan en mag nemen en dat haar rol als opvoeder wordt erkend. De moeder heeft positieve stappen gezet en staat open voor hulpverlening. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het gezag van de moeder wordt hersteld. Daarnaast wordt zij nu, met tijdelijke ondersteuning, in staat geacht om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de in artikel 1:277 BW Pro genoemde criteria. De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De GI heeft nu geen rol meer in de voogdijmaatregel. Deze maatregel eindigt van rechtswege.
Gezagsbeëindiging van de vader
Wettelijk kader: gezagsbeëindiging verzocht door de Raad
5.17.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt
bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.18.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
Wettelijk kader: verzoek eenhoofdig gezag
5.19.
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag over het minderjarig kind toekomt. Op grond van artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van deze bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de minderjarige klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Belanghebbenden
5.20.
Op grond van rechtsoverweging 5.15 is de moeder hersteld in het gezag. Hierdoor dient zij als belanghebbende te worden beschouwd in het verzoek van de Raad om het gezag van de vader te doen beëindigen.
5.21.
Aangezien het verzoek betrekking heeft op de beëindiging van het gezag van vader is de vader automatisch belanghebbende in deze procedure.
5.22.
Nu de GI niet langer belast is met de voorlopige voogdij over [minderjarige] , wordt de GI aangemerkt als informant.
Beoordeling
5.23.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. De vader van [minderjarige] woont op [woonplaats 2] en vervult geen (opvoedings)rol in het leven van [minderjarige] . Gebleken is dat de vader niet is bereikbaar voor [minderjarige] , hulpverleners en de moeder, en hij weigert gesprekken aan te gaan. Hij geeft geen toestemming voor hulpverlening, wat als gevolg heeft gehad dat [minderjarige] niet de benodigde hulp en ondersteuning heeft gekregen. Daarnaast doet de vader belastende uitspraken richting [minderjarige] . Hij ziet zijn eigen aandeel hierin niet en is niet bereid mee te denken in het belang van [minderjarige] om zijn situatie te verbeteren, ondanks herhaaldelijke pogingen. Door deze opstelling van de vader wordt [minderjarige] in zijn ontwikkeling bedreigd en de rechtbank van oordeel dat de vader niet in staat is om deze verantwoordelijkheid te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
5.24.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de Raad worden toegewezen. Nu het verzoek van de Raad is toegewezen, zal het verzoek van de moeder om het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen worden afgewezen bij gebrek aan belang.
Ondertoezichtstelling
Wettelijk kader
5.25.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Belanghebbenden
5.26.
Nu het gezag van de vader is beëindigd (rechtsoverweging 5.24), is de vader niet meer met het ouderlijk gezag belast. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat de niet met het ouderlijk gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv. Redengevend daartoe is dat door de rechterlijke beslissing houdende ondertoezichtstelling de rechten en verplichtingen van die ouder niet rechtstreeks worden geraakt, nu die ouder vóór de ondertoezichtstelling niet het ouderlijk gezag uitoefende, en de ondertoezichtstelling niet in de weg staat aan effectuering van zijn recht op gezinsleven met de minderjarige, zoals door omgang van die ouder met de minderjarige. De Hoge Raad heeft echter verder geoordeeld dat een persoon alsnog als belanghebbende kan worden aangemerkt in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel indien die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM Pro. De kinderrechter is van oordeel dat de ondertoezichtstelling geen inbreuk maakt in het familie- en gezinsleven van de vader aangezien hij de afgelopen drie jaar geen betrokkenheid in het leven van [minderjarige] heeft getoond. Hierdoor zal de vader niet als belanghebbende worden aangemerkt in het verzoek van de Raad.
5.27.
Nu de moeder met het gezag over [minderjarige] is belast, wordt zij rechtstreeks in haar rechten en verplichtingen geraakt en zal zij als belanghebbende worden aangemerkt.
5.28.
De GI wordt bij een eerste ondertoezichtstelling aangemerkt als informant.
Beoordeling
5.29.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er de afgelopen periode veel is gebeurd. Er blijven zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Hij laat regelmatig spanningen, boosheid en agressie zien en heeft moeite om zijn gedrag en emoties onder controle te houden. Dit heeft geleidt tot incidenten, zowel thuis als op de groep. Het is nog onduidelijk waar deze boosheid en spanning vandaan komen. Er is een aanmelding gedaan voor een diagnostisch onderzoek, om [minderjarige] beter te begrijpen en hem de juiste ondersteuning te kunnen bieden. De moeder is betrokken en wil [minderjarige] zo goed mogelijk helpen, maar zij heeft op dit moment zelf ook ondersteuning nodig. Er zijn zorgen dat zij de ernst van [minderjarige] gedrag soms onderschat en dat haar draagkracht beperkt is, mede door de zorg voor haar andere kinderen. Het is belangrijk dat de moeder gezamenlijk met de GI de juiste beslissingen kan nemen en de benodigde hulpverlening kan inzetten voor [minderjarige] . De moeder stemt ook in met deze hulpverlening.
5.30.
Het is op dit moment noodzakelijk dat er hulp komt om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De verwachting is echter gerechtvaardigd dat de moeder op termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zelf kan dragen. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan en zal het verzoek van de Raad toewijzen voor de duur van een jaar.
5.31.
Binnen de ondertoezichtstelling dient gewerkt de worden aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] heeft ouders/verzorgers die fysiek en emotioneel beschikbaar zijn en die kunnen aansluiten bij zijn ontwikkeling en emotionele– en zorgbehoeften;
  • [minderjarige] heeft een ontspannen contact met zijn vader;
  • [minderjarige] heeft een duidelijke dagstructuur, dagbesteding en heeft hulpverlening om toe te werken naar schoolgang, ontwikkeling en het opbouwen en onderhouden van sociale relaties;
  • [minderjarige] heeft een vertrouwenspersoon bij wie hij zich vertrouwd voelt en waar hij (blijvend) zijn zorgen, behoeften, onzekerheden en emoties kan uiten.
5.32.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6.De beslissing

De rechtbank:
Inzake C/02/435625 / FA RK 25-2600
6.1.
herstelt het ouderlijk gezag van
[de moeder] ,geboren op [geboortedag 2] 1983 in [geboorteplaats] , over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
6.2.
wijst het verzoek van de moeder om het ouderlijk gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen af;
inzake C/02/442926 / FA RK 25-6394
6.3.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de vader], geboren op [geboortedag 3] 1971 in [geboorteplaats] , over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
6.4.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
Inzake C/02/442924 / JE RK 25- 2217
6.5.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 3 april 2026 tot 3 april 2027;
6.6.
verklaart de beschikking onder rechtsoverweging 6.1, 6.3 en 6.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr Sumner, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.