Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3233

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
BRE - 25/3888
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a Wet op de AccijnsArt. 2 lid 1 letter b Wet op de AccijnsArt. 6 EVRMArt. 8 lid 1 letter b Richtlijn 2008/118/EGArt. 51 lid 1 letter b Wet op de Accijns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag accijns wegens te hoog vastgesteld bedrag zonder bewijsuitsluiting

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag accijns van €174.748 en een belastingrentebeschikking van €22.739 opgelegd door de inspecteur. De naheffingsaanslag betrof 1.086 kilogram waterpijptabak aangetroffen in een bedrijfsloods gehuurd door de onderneming van belanghebbende.

Belanghebbende stelde dat de toezichthouder onrechtmatig de loods was binnengetreden en dat het bewijs daarom uitgesloten moest worden. De rechtbank oordeelde dat ook strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken kan worden gebruikt, tenzij het gebruik ervan zozeer indruist tegen behoorlijk overheidsoptreden dat het ontoelaatbaar is. Dit was niet het geval, mede omdat de controle onderdeel was van een reguliere integrale controle van een bedrijfsverzamelgebouw.

Verder betwistte belanghebbende dat hij de waterpijptabak voorhanden had en voerde hij aan dat de naheffingsaanslag te hoog was vastgesteld. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als bestuurder van de onderneming de waterpijptabak fysiek voorhanden had en dat de inspecteur voldoende bewijs had geleverd dat in alle 360 aangetroffen bakken waterpijptabak zat. Wel was de hoeveelheid in de naheffingsaanslag met 6 kilogram te hoog vastgesteld, wat leidde tot een vermindering van de aanslag met €966.

De belastingrente was volgens de rechtbank correct berekend en in overeenstemming met recente arresten van de Hoge Raad. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, verminderde de naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.

Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns wordt verminderd tot €173.782 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig, bewijsuitsluiting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3888
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende 1] , uit [woonplaats] (Bosnië en Herzegovina), belanghebbende,

(gemachtigde: mr. R.B.H. Beune),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 juli 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns van € 174.748 opgelegd. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 22.739 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep met nummer 25/3887 van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag accijns en belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag accijns en de belastingrentebeschikking terecht vastgesteld
.De naheffingsaanslag is wel tot een te hoog bedrag vastgesteld en moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 18 mei 2022 heeft de Douane in het kader van een integrale controle van de Omgevingsdienst West Betuwe (de Omgevingsdienst) in een bedrijfsloods aan de [adres] 1.086 kg waterpijptabak aangetroffen.
3.1.
De bedrijfsloods was op die datum gehuurd en in gebruik door [bedrijf] . Belanghebbende was op die datum enig bestuurder van [bedrijf] . De loods is geen accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Accijns (WA).
3.2.
De bevindingen van de controle zijn vastgelegd in een proces-verbaal met nummer [pv-nummer] . In het proces-verbaal staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Op donderdag 18 mei 2022 omstreeks 15.00 uur werd ik, [verbalisant 1] , gebeld door [persoon] van de Omgevingsdienst West Betuwe. Ik hoorde hem zeggen dat zij naar aanleiding van een integrale controle in samenwerking met diverse diensten in een pand aan de [adres] stonden. [persoon] vertelde mij dat zij daar witte plastic bakken zagen staan met een inhoud die naar anijs rook. Hij vroeg mij of ik wist wat het voor product zou kunnen zijn. Ook zagen zij IBC's staan. Ik vroeg hem of hij mij een paar foto's kon sturen. Op of omstreeks 15:11 uur ontving ik van [persoon] 4 foto's. Op de foto's zag ik witte bakken en daarop een zak met een bruinachtige substantie. Op basis van kennis en ervaring kreeg ik het vermoeden dat het om waterpijptabak ging. Ik vertelde [persoon] dat ik ter plaatse zou komen.
Vervolgens heb ik, [verbalisant 1] , verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] gebeld met het verzoek om zich te begeven naar het pand aan de [adres] .
Omstreeks 16:30 uur kwam ik, [verbalisant 1] , gekleed in uniform en met mijn herkenbare dienstauto ter plaatse. [persoon] vertelde mij dat ze contact hadden gehad met de huurder van het pand, de heer [belanghebbende 1] , maar dat deze in Oostenrijk was. Verder vertelde [persoon] dat de verhuurder van het pand de heer [verhuurder] was en dat de heer [verhuurder] zelf een loods had, een aantal deuren verderop. Vervolgens ben ik, [verbalisant 1] het pand binnengegaan. Ik zag en telde 5 Intermediate Bulk Containers, verder te noemen als IBC's en zag een groot aantal witte bakken. In het pand rook ik de voor mij op basis van kennis en ervaring bekende lucht van waterpijptabak. Ook zag ik etiketten liggen en las daarop onder andere German Shisha Tobacco, 3000 gram (bijlage 4, foto's A,B,C,D). Ik, [verbalisant 1] , zag dat de bakken met voorzien waren van accijnszegels.
(…)
In het pand roken wij de voor ons op basis van kennis en ervaringen bekende lucht van waterpijptabak. Hierop hebben wij, verbalisanten, een vijftal van de witte bakken geopend. Hierin zagen wij een doorzichtige vacuüm getrokken plastic zat met een bruine substantie erin. Uit kennis en ervaring, alsmede de sterkte geur die wij roken, vermoeden wij dat het hier om waterpijptabak ging. Hierop hebben wij, verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] , [verbalisant 5] , [verbalisant 1] en [verbalisant 4] , de waterpijptabak gewogen middels een van Rijkswege verstrekte weegschaal welke ik, verbalisant [verbalisant 5] , tot mijn beschikking had. Wij zagen dat het gewicht op 3000 gram kwam per vacuüm plasticdoorzichtige zak.”
En:

Inbeslagneming:Ik, verbalisant [verbalisant 4] heb de volgende goederen in beslag genomen tegen afgifte van een bewijs van inbeslaggenomen goederen:
Aantal
Dimensie
Omschrijving
360
witte bakken
waterpijptabak
2
plastic zakken
verpakkingsmateriaal
27
witte bakken
verpakkingsmateriaal
2
doorzichtige
zakken
Waterpijptabak voor
Laboratoriumonderzoek
1
zak
A4’tjes met stickers voor op de bakjes van Waterpijptabak
En:
Monstername:Het labonderzoek wees uit dat de inhoud van de doorzichtige vacuümzakken, zonder opdruk waterpijptabak betrof. Het product is als waterpijptabak zonder verdere behandeling, rookbaar in een waterpijp m.b.v. de rookmachine, en voldoet aan artikel 32 lid 2 van Pro de wet. Voor dit product geldt daarom de accijns van rooktabak. De uitslag van het laboratoriumonderzoek is als bijlage 2 aan dit proces verbaal toegevoegd.”
3.3.
In het verslag van de Omgevingsdienst van de op 18 mei 2022 ingestelde controle in de loods van belanghebbende staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Heden 18-05-2022 is door ondergetekende [beëdigd toezichthouder] als zodanig belast met het toezicht op en de Handhaving van onder andere de WABO ( wet algemene bepalingen omgevingsrecht ) en de in hoofdstuk 5.1 genoemde wetten.
(…)
Tijdens een integrale controle geïnitieerd door de gemeente Zaltbommel het bedrijfsverzamelgebouw gelegen aan de [adres] nader geschouwd. Dit in het kader van het onvoldoende zicht hebben op wat of welke activiteiten er op locatie plaats vinden.
Tijdens de controle zijn alle units nader geschouwd op aard en omvang van de activiteiten die er plaats vinden. Tijdens de schouw van de unit gelegen aan de [adres] bleek deze te zijn afgesloten en was er niemand aanwezig, ter plaatse is er telefonisch contact gelegd met de huurder door [collega] , (toezichthouder / Boa ) De huurder waar mee gesproken is gaf aan vrachtwagen chauffeur te zijn en momenteel niet in Nederland te verblijven maar in Oostenrijk te zijn. Door huurder werd aangegeven dat er in zijn unit niks werd opgeslagen ook geen gevaarlijke stoffen of materialen. Op onze vraag of men iemand kon aansturen die op korte termijn voor ons de deur kon openen op locatie werd geantwoord nee dat kan ik niet.
In aanvulling is door ondergetekende een blik geworpen door de aanwezige brievenbus die was aangebracht in de toegangsdeur. Middels deze brievenbus nam ik in de unit enige IBC-’s waar en zag ik een enorme stapel zijnde 3 a 4 honderd rechthoekige 4 liter emmers. De emmers waren afgesloten en leken gevuld te zijn, en waren niet voorzien van enige etikettering. De aanwezigheid en de hoeveelheid kwam niet overeen met de door huurder aangegeven aanduiding dat er niets werd opgeslagen op locatie. De aanwezigheid van de IBC's en de grote hoeveelheid emmers gaven mij de aanduidingen dat er mogelijk toch producten of materialen werden opgeslagen op locatie.
Daar de aanwezige emmers ook niet waren geëtiketteerd was het onduidelijk wat er op locatie werd opgeslagen. Om te achterhalen of er mogelijk veiligheidsrisico's vast zaten aan de opgeslagen materialen heb ik besloten om een slotenmaker in te schakelen, om te komen tot een instap in het pand en een controle op de aanwezige grootschalige opslag van een mij onbekend product. Na me middels een slotenmaker toegang te hebben verschaft ben ik gezamenlijk met de collegae van de politie naar binnen gelopen en hebben we de enorme hoeveelheid aanwezige emmers nader geschouwd. In de emmers zagen we een gesealde transparante zak met daarin een bruine substantie, Bij het openen van de emmers namen we tevens een enigszins vreemde geur waar Ook op de gesealde zakken was geen etikettering aangebracht. Daar ik niet nader kon aanduiden of achterhalen wat de substantie in de zak mogelijk kon zijn en ik ook niet een zak wilde openen met de mogelijk daaraan verbonden risico's Heb ik contact gelegd met een collega van de Douane en hem enige foto s geappt om te kijken of hij mogelijk een idee had wat het aangetroffen materiaal was. De collega van de Douane gaf na het schouwen van de foto's aan dat het product hem bekend voorkwam en dat het mogelijk een tabaksproduct betrof. Daar de aangetroffen hoeveelheid zodanig veel was is er in overleg besloten dat de collega van de douane ter plaatse zou komen.”
3.4.
Op 1 november 2022 is belanghebbende verhoord. Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt met nummer [pv-nummer] . In dit proces-verbaal is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(V) Sinds wanneer huurt u het pand aan de [adres] ?
(A) Ik huur dit sinds maart 2022.
(V) Welke spullen heeft u van welke locatie hiernaartoe verhuisd?
(A) De spullen interieur en o.a. ook Shisha.
(…)
(V) Is er naast u nog iemand die toegang heeft tot het pand?
(A) Ja, mijn broertje had toen een sleutel.
(V) Waar heeft u, de door ons aangetroffen, waterpijptabak gekocht of vandaan?
(A) Ik heb het niet zelf gekocht. Deze waterpijptabak is bij mij neergezet met de intentie om te worden getransporteerd van plek A naar plek B. Hij heeft het nooit opgehaald. Ik moet gaan kijken in mijn boekhouding van wie deze zending was. Een paar jaar eerder heb ik al controle gehad van de overheid. Toen is er niets mee gedaan door de overheid. En nu zijn jullie als Douane er geweest en hebben alles meegenomen.
(V) Hoe lang heeft u deze shisha al in beheer’
(A) het al minimaal 5 jaar onder beheer.”
3.5.
De inspecteur heeft bij brieven van 8 oktober 2024 zijn voornemen aan belanghebbende en [bedrijf] kenbaar gemaakt om aan hen een naheffingsaanslag accijns op te leggen. In de brieven heeft de inspecteur toegelicht dat de naheffing accijns ziet op de tijdens de doorzoeking door de Douane in de loods aangetroffen 1.086 kilogram waterpijptabak.
3.6.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag accijns conform dat voornemen aan belanghebbenden opgelegd (zie 1.1).

Motivering

Bewijsuitsluiting?
4. Belanghebbende stelt – kort en zakelijk weergegeven – dat de toezichthouder van de Omgevingsdienst de loods onrechtmatig is binnengetreden en dat de waarnemingen van de toezichthouder en de inspecteur in de loods als gevolg van het binnentreden niet voor de belastingheffing mogen worden gebruikt.
4.1.
De rechtbank stelt voor de beoordeling van dit geschilpunt voorop dat in belastingzaken als uitgangspunt geldt dat ook strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs kan worden gebruikt als bewijsmiddel. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [1] volgt dat het gebruik daarvan slechts dan niet toegestaan indien (i) artikel 6 EVRM Pro daartoe dwingt, hetgeen hier niet aan de orde is, of (ii) die bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (het zogenoemde ‘zozeer indruist’-criterium). De enkele omstandigheid dat het bewijs (strafrechtelijk) onrechtmatig is verkregen, wat de rechtbank hier uit proceseconomische redenen in het midden laat, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat het bewijs ook in de onderhavige belastingzaak jegens belanghebbende van bewijs moet worden uitgesloten.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de vastgestelde feiten, in het bijzonder onder 3.3, ook al zou het bewijs onrechtmatig zijn verkregen niet dat het bewijs is verkregen op een wijze die voldoet aan het ‘zozeer indruist’-criterium. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het ging om een integrale controle van het bedrijfsverzamelgebouw, waarvan de loods van belanghebbende deel uitmaakte. Die controle vond plaats in het kader van de reguliere toezichthoudende taak van de Omgevingsdienst op grond van de toen geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Tegen de initiële controle als zodanig bestaan daarom geen bezwaren. De rechtbank heeft wel twijfels bij wat er nou precies in het telefoongesprek met belanghebbende is gezegd omdat dat zo nauw luistert en het er eigenlijk neerkomt of één woord wel of niet gezegd is. Belanghebbende spreekt niet vloeiend Nederlands en blijft erbij gezegd te hebben dat er niets gevaarlijks in de loods lag maar niet te hebben gezegd, althans niet heeft bedoeld te zeggen, dat er niets in de loods lag. Het verslag is voorts opgesteld door een ander dan degene die telefoongesprek heeft gehouden wat de kans op net niet juiste vastlegging groter maakt. Echter, ook als het telefoongesprek anders is verlopen dan is weergegeven en de beslissing tot het binnentreden mede op die alsdan onjuiste weergave was gebaseerd, rechtvaardigt dat nog niet de conclusie dat is voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium. Hoewel de rechtbank het met belanghebbende eens is dat de aanwezigheid van IBC-containers bij een transportonderneming op zichzelf nog niet ongebruikelijk is, was de combinatie van de hoeveelheid IBC-containers en de hoeveelheid niet gelabelde emmers met inhoud zodanig dat met het binnentreden van de loods geen sprake kan zijn van een in aanzienlijke mate schending van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel. Daarom is niet voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium. Ook het kijken door de brievenbus in het kader van een algemene controle van een bedrijfsverzamelgebouw – geen woningen – is, ook al zou dat te snel zijn toegepast, geen zodanige schending dat voldaan zou zijn aan het ‘zozeer indruist’-criterium. [2] De rechtbank ziet dus geen aanleiding, ook voor het geval er een bepaling onjuist zou zijn toegepast, de waarnemingen van de toezichthouder en de inspecteur, die zijn gedaan na het binnentreden van de loods, in de onderhavige procedure van bewijs uit te sluiten.
Is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?
5. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag niet aan hem kan worden opgelegd. Hij betwist dat de waterpijptabak bij hem voorhanden was. Verder voert belanghebbende aan dat de eigenaar van de waterpijptabak geen intentie (meer) had om de waterpijptabak in het vrije verkeer te brengen, zodat heffing over goederen die nooit geconsumeerd zullen worden in strijd is met doel en strekking van de accijnswetgeving. Tot slot wijst belanghebbende erop dat de kring van personen die voorhanden kunnen hebben slechts door het Europese Hof van Justitie is verruimd voor het geval de accijns moeilijk verhaalbaar is. Aangezien de eigenaar hier bekend is, dient volgens belanghebbende, in lijn met doel en strekking van de accijnswetgeving, geen belastingheffing bij hem plaats te vinden maar bij de eigenaar.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 51, lid 1, letter b, van de WA wordt bij toepassing van artikel 2, lid 1, letter b, van de WA, accijns geheven van “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is”. Met deze wetsbepaling is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG voorschrijft. Zij moet daarom overeenkomstig die richtlijnbepaling worden uitgelegd. Het begrip ‘de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Niet relevant is of de desbetreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot die goederen en evenmin is relevant of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd. Uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld. Het is buiten redelijke twijfel dat het begrip ‘persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG en artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet zo moet worden uitgelegd dat elke werknemer die fysiek over de accijnsgoederen beschikt, op grond van deze bepalingen schuldenaar voor de accijns kan zijn, ook indien die goederen toebehoren aan zijn werkgever of aan een derde. [3]
5.2.
De loods waarin waterpijptabak is aangetroffen werd gehuurd door de onderneming van belanghebbende ( [bedrijf] ). Vast staat dat [bedrijf] een onderneming exploiteert die zich onder meer bezighoudt met het transport en de opslag van goederen. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de waterpijptabak in dat kader in de loods was opgeslagen en dat hij zelf zorg heeft gedragen voor het transport van de waterpijptabak van de oude loods van zijn onderneming naar de nieuwe loods. Naar het oordeel van de rechtbank laten deze feiten geen andere oordeel toe dan dat belanghebbende de waterpijptabak voorhanden heeft gehad in de zin van de WA. De rechtbank acht aannemelijk dat de waterpijptabak door belanghebbende voorhanden werd gehouden voor commerciële doeleinden, namelijk in het kader van zijn transportonderneming. [4] De gestelde intentie van de eigenaar staat aan de heffing dus niet in de weg.
5.3.
Het doen of nalaten van een werknemer moet voor de toepassing van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet worden toegerekend aan de werkgever indien een doen of nalaten van de werkgever ten grondslag ligt aan het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving blijkt te zijn geheven. De hiervoor bedoelde toerekening aan de werkgever moet plaatsvinden indien de werknemer met betrekking tot die accijnsgoederen i) heeft gehandeld binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever toevertrouwde taken, en ii) zijn taken heeft uitgevoerd volgens instructies die rechtstreeks afkomstig waren van degene bij wie hij in dienst is dan wel afkomstig waren van een andere werknemer van dezelfde werkgever, die hiertoe in het kader van zijn eigen functie bevoegd was. Onder die omstandigheden ligt in wezen niet het doen of nalaten van de eerstbedoelde werknemer ten grondslag aan het belastbare feit van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet en moet niet hij maar zijn werkgever worden aangemerkt als de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet. Het ligt op de weg van de werknemer van wie wordt nageheven om de hiervoor van belang zijnde feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken. [5]
5.4.
Belanghebbende beroept zich in wezen op deze uitzondering door te stellen dat hij de werkzaamheden die maakten dat hij de waterpijptabak voorhanden heeft gehad als bestuurder van [bedrijf] heeft verricht. De rechtbank is van oordeel dat deze uitzondering niet van toepassing is. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij zichzelf, als bestuurder van [bedrijf] , de instructie heeft gegeven om onveraccijnsde waterpijptabak op te slaan, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft gehandeld binnen de grenzen van de hem door zijn werkgever – wat zijn eigen onderneming is - toevertrouwde taken. Naar het oordeel van de rechtbank is (het akkoord gaan met) het opslaan van onveraccijnsde waterpijptabak als uitgangspunt niet in het belang van de onderneming.
5.5.
Verder staan doel en strekking van de accijnswetgeving er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat de inspecteur een naheffingsaanslag accijns aan belanghebbende oplegt terwijl de eigenaar van de waterpijptabak bij de inspecteur bekend is. Het inherente doel van hoofdelijke (risico)aansprakelijkheid bestaat er juist in om de verhaalsmogelijkheden voor de autoriteiten te vergroten en daarmee de doeltreffende invordering van accijnsschulden en de bescherming van de eigen middelen van de Unie te versterken. [6] Deze uitlegging doet niet af aan de eventueel door het nationale recht geboden mogelijkheid voor iemand die schuldenaar is voor de accijns om een regresvordering in te stellen tegen een andere persoon die schuldenaar is voor die accijns. [7]
5.6.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag accijns aan belanghebbende heeft opgelegd.
Is de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld?
6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag accijns te hoog is vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de inspecteur slechts voor drie kilogram waterpijptabak sluitend bewijs heeft geleverd. Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat op de foto’s van de inspecteur 284 witte bakken te zien zijn, ontbreekt volgens belanghebbende bewijs voor de resterende 76 bakken. De inspecteur heeft volgens belanghebbende bovendien niet bewezen dat in alle aanwezige witte bakken zakken met drie kilogram waterpijptabak zat. Daarbij wijst belanghebbende erop dat de inspecteur slechts vijf bakken heeft geopend en dat daarvan slechts één zak van drie kilogram door het laboratorium van de Douane is getest. Verder voert belanghebbende aan dat, indien er al van uit wordt gegaan er in alle bakken zaken met 3 kilogram waterpijptabak zat, het totale gewicht slechts 1.080 kilogram bedraagt. Dat gewicht volgt ook uit de afstandsverklaring die door belanghebbende is getekend en die afstandsverklaring is volgens hem leidend.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur heeft op ambtseed verklaard dat er 360 witte bakken in de loods zijn aangetroffen. De rechtbank heeft geen reden om aan die ambtsedige verklaring te twijfelen, ook al zijn niet alle bakken op foto’s zichtbaar. Belanghebbende heeft daarvoor geen concrete aanknopingspunten aangevoerd. De inspecteur heeft op basis van een onderzoek van vijf bakken geconcludeerd dat in alle aangetroffen bakken waterpijptabak zat. De rechtbank acht deze conclusie voldoende onderbouwd door andere bewijsmiddelen. Daartoe behoren de laboratoriumanalyse van één zak waaruit volgt dat deze inderdaad waterpijptabak bevatte, het in de loods aangetroffen verpakkingsmateriaal voor zakken van exact drie kilogram waterpijptabak, de verklaringen van belanghebbende tijdens het verhoor (zie 3.4) en ter zitting, alsmede de foto’s waarop te zien is dat de zichtbare bakken gedeeltelijk doorzichtig zijn en inhoud bevatten. In onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank aannemelijk dat in ieder geval 1.080 kilogram waterpijptabak (360 bakken x 3 kilogram waterpijptabak per bak) in de loods is aangetroffen. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag echter uitgegaan van een hoeveelheid van 1.086 kilogram. Die extra zes kilogram kan de rechtbank niet volgen. Uit het proces-verbaal (3.2) blijkt dat twee zakken separaat zijn vermeld, hetgeen de extra zes kilogram waterpijptabak zou kunnen verklaren. De inspecteur heeft ter zitting echter verklaard dat twee losse zakken afkomstig waren uit de vijf gecontroleerde dozen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze zakken reeds zijn begrepen in de telling met 360 bakken, zodat sprake is van een dubbeltelling. De rechtbank zal daarom uitgaan van 1.080 kilogram onveraccijnsde waterpijptabak.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld. De rechtbank zal de naheffingsaanslag daarom verminderen met € 966 (6 kilogram x € 160,91 per kilo) tot € 173.782.
Belastingrente
7. Belanghebbende stelt dat hem teveel belastingrente in rekening is gebracht. waarin Belanghebbende wijst het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [8] waarin is geoordeeld dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende betoogt dat dit eveneens voor het belastingrentepercentage voor de accijns heeft te gelden.
7.1.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet teveel belastingrente in rekening is gebracht. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat de volgende rentepercentages zijn gehanteerd: over de periode 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 4%, over de periode 1 juli tot en met 31 december 2023 6%, over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 7,5% en over de resterende periode 6,5%.
7.2.
De rechtbank verwerpt de stelling van belanghebbende. Vast staat dat de belastingrente conform de wettelijke bepalingen [9] is berekend en in rekening is gebracht. Uit de overwegingen 4.11.3 tot en met 4.11.6 van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, voor zover de rechter dat kan toetsen, niet in strijd is met enig beginsel. De rechtbank ontleent aan het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 [10] dat dit ook voor andere belastingen, zoals de accijns heeft te gelden. De rechtbank laat de belastingrentebeschikking daarom in zoverre in stand. De belastingrentebeschikking moet wel worden verminderd conform de vermindering van de naheffingsaanslag (zie 6.2).

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag zal worden verminderd tot € 173.782. De belastingrentebeschikking zal dienovereenkomstig worden verminderd.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 194 aan hem vergoeden. Daarnaast moet de inspecteur de proceskosten van belanghebbende aan haar vergoeden.
8.2.
De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding. De proceskostenvergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vastgesteld. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaak van belanghebbende samenhangt met de zaak van [bedrijf] met zaaknummer 25/3887 in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Deze zaken zijn immers nagenoeg gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken betrekking hadden op dezelfde materie en casuïstiek. De rechtbank zal om die reden de toegekende proceskostenvergoeding evenredig over belanghebbende en [bedrijf] verdelen.
8.3.
De vergoeding van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting, met een waarde per punt van € 934; en een factor 1 voor samenhang en een wegingsfactor 1). Andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld of gebleken.
8.4.
Het voorgaande betekent dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding van € 1.600 (1/2 x € 3.200).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag accijns tot € 173.782 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.600;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 194 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 20 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643; en Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154.
2.Vgl. ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 april 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1044.
3.Vgl. Hoge Raad van 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.1 t/m 2.4.3.
4.Vgl. HvJ 10 juli 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punt 22 en 24.
5.Vgl. Hoge Raad van 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.4.
6.Vgl. bijv. ook de conclusie van [naam] van 21 januari 2021 bij de zaak WR, C-279/19, punt 34.
7.Vgl. de conclusie van [naam] van 21 januari 2021 bij de zaak WR, C-279/19, punt 67.
8.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
9.Hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente.
10.Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:591.