ECLI:NL:HR:2025:154
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken en bewijsuitsluiting
Belanghebbende werd geconfronteerd met een informatiebeschikking van de Inspecteur op grond van artikel 52a AWR, omdat hij niet had voldaan aan zijn informatieplicht over aandelen in 21 vennootschappen. Deze informatie was deels gebaseerd op een schenkingsakte die strafrechtelijk onrechtmatig was verkregen bij een doorzoeking van zijn woning.
Het geschil betrof de vraag of deze schenkingsakte als bewijs mocht worden gebruikt in de belastingprocedure, ondanks de onrechtmatige wijze van verkrijging. Het hof had geoordeeld dat het gebruik van dit bewijs slechts uitgesloten kan worden als het zozeer indruist tegen de normen van een behoorlijk handelende overheid dat het gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is (het zozeer-indruistcriterium).
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst klachten af die stelden dat het bewijs altijd uitgesloten moet worden of dat het criterium niet van toepassing zou zijn. Ook nuanceert de Hoge Raad het criterium niet in het licht van Europese rechtspraak. De Hoge Raad stelt belanghebbende een termijn van vier weken om alsnog aan de informatieplicht te voldoen.
Het arrest benadrukt de terughoudendheid bij bewijsuitsluiting in belastingzaken en bevestigt de toepassing van het zozeer-indruistcriterium als maatstaf voor bewijsuitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt vier weken om alsnog aan de informatieplicht te voldoen.