Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit over aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. De rechtbank beoordeelt het beroep op niet tijdig beslissen en verklaart dit kennelijk gegrond.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes weken, vermeerderd met een verlenging van zes weken, is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. Eiseres heeft verweerder vervolgens ingebreke gesteld, waarna de rechtbank een nadere beslistermijn oplegt van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, conform een eerdere lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een bestuurlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. De reeds verschuldigde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 22 april 2026.