Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3324

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/3950 en 25/5544
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na schorsing rijbewijs door CBR

Verzoeker heeft schadevergoeding gevorderd wegens de schorsing van zijn rijbewijs door het CBR, nadat de politie een vermoeden had geuit dat hij niet langer geschikt was om een motorrijtuig te besturen. Het CBR had op 23 juli 2024 het rijbewijs geschorst en een medisch onderzoek opgelegd. Verzoeker maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep op 2 juni 2025 ongegrond. Verzoeker ging niet in hoger beroep.

Na afwijzing van het bezwaar en beroep diende verzoeker een schadeverzoek in bij het CBR, dat dit afwees omdat het besluit niet onrechtmatig was. Verzoeker stelde dat het CBR onmenselijk had gehandeld en dat de schorsing tot persoonlijke schade had geleid, waaronder een scheiding. De rechtbank oordeelde dat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen en dat er geen onrechtmatigheid is. De geclaimde schade was niet aannemelijk gemaakt en stond niet in causaal verband met het besluit.

De rechtbank behandelde de twee schadeverzoeken als één en besloot het griffierecht éénmaal terug te betalen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het besluit rechtmatig is. Verzoeker kan nog in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het besluit tot schorsing van het rijbewijs rechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/3950
BRE 25/5544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaken tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het CBR om de door verzoeker geclaimde schade te vergoeden. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft aan de rechtbank gevraagd te bepalen dat het CBR schadevergoeding moet betalen. Aan de hand van de argumenten van verzoeker beoordeelt de rechtbank of verzoeker recht heeft op schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoeker geen recht heeft op schadevergoeding. Verzoeker krijgt dus geen gelijk en zijn verzoek om schade-vergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 6 juni 2024 heeft de politie aan het CBR mededeling gedaan van een gerezen vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.
2.1
Met het besluit van 23 juli 2024 heeft het CBR aan verzoeker meegedeeld dat hij een medisch onderzoek moet laten doen en dat hij voorlopig niet meer mag rijden. Dit betekent dat het rijbewijs van verzoeker is geschorst. Het bezwaar dat verzoeker tegen dit besluit heeft ingediend, is ongegrond verklaard. Verzoeker is in beroep gegaan en op 2 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Verzoeker is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan.
2.2
Verzoeker heeft op 21 juni 2025 een schadeverzoek ingediend bij het CBR. Met de brief van 30 juni 2025 heeft verzoeker een toelichting gegeven op zijn schadeverzoek. Uit die brief volgt dat verzoeker zijn schade relateert aan de schorsing van zijn rijbewijs. Met de brief van 11 juli 2025 heeft het CBR aan verzoeker meegedeeld dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Het CBR heeft daarom het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.3
Verzoeker heeft op 5 augustus 2025 aan de rechtbank verzocht het CBR te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.
2.4
Met de brief van 29 augustus 2025 heeft verzoeker toegelicht wat de gevolgen zijn geweest voor privé-situatie. Het CBR heeft deze brief als een nieuw verzoek om schadevergoeding aangemerkt.
2.5
Met de brief van 2 oktober 2025 heeft het CBR aan verzoeker meegedeeld dat het nieuwe schadeverzoek ook gerelateerd is aan het besluit van 23 juli 2024. Omdat dit besluit niet onrechtmatig is, bestaat geen aanleiding om schade te vergoeden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het CBR heeft dit bezwaar ter verdere behandeling doorgestuurd naar de rechtbank.
2.6
De rechtbank heeft het schadeverzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens het CBR deelgenomen drs. [persoon] . Verzoeker is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader

3. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Standpunt verzoeker
4. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat schade is veroorzaakt door het CBR. Het CBR is totaal onmenselijk geweest en heeft totaal verkeerd gehandeld. In 2024 is verzoeker kapot gemaakt en het is schandalig hoe het CBR met zijn zaak omgaat.
Standpunt CBR
5. Het CBR heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Verder heeft het CBR gesteld dat de door verzoeker geclaimde schade niet op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk is gemaakt. Het is aan verzoeker om de gestelde schade aannemelijk te maken. Verweerder heeft opgemerkt dat hij voor het handelen van de politie niet verantwoordelijk is. Dat verzoeker op 2 oktober 2024, na een onderzoek door een psychiater, weer rijgeschikt is verklaard, betekent niet dat ten onrechte een onderzoek was opgelegd en ten onrechte zijn rijbewijs was geschorst. De geclaimde schade wegens zijn scheiding, staat niet in causaal verband met een onrechtmatigheid van het CBR.
Overwegingen rechtbank
Ambtshalve beoordeling
6. Uit het eerste schadeverzoek maakt de rechtbank op dat verzoeker zijn schade heeft gerelateerd aan het besluit van 23 juli 2024. De rechtbank stelt vast dat het tweede schadeverzoek dat verzoeker heeft ingediend betrekking heeft op ditzelfde besluit en dat daarmee feitelijk alleen een nadere onderbouwing is gegeven voor de eerder gestelde schade.
6.1
De rechtbank heeft bij de ontvangst van het tweede schadeverzoek niet onderkend dat dit verzoek samenhangt met het eerste verzoek. Dit betekent dat ten onrechte een tweede zaaknummer is aangemaakt en dat verzoeker twee maal griffierecht heeft moeten betalen. Gelet op de samenhang van de verzoeken zal de rechtbank de schadeverzoeken gezamenlijk als één schadeverzoek behandelen en daarom éénmaal het griffierecht terugbetalen aan verzoeker.
Is er sprake van een onrechtmatig besluit?
7. Voordat de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding kan toewijzen, moet er eerst sprake zijn van een onrechtmatig besluit. Zoals eerder al opgemerkt heeft verzoeker de door hem geclaimde schade gerelateerd aan het besluit van 23 juli 2024. De rechtbank zal daarom eerst moeten beoordelen of dit besluit onrechtmatig is.
7.1
Met de uitspraak van 2 juni 2025 heeft de rechtbank de schorsing van het rijbewijs in stand gelaten. Verzoeker heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Dat betekent dat het besluit tot schorsing van het rijbewijs formele rechtskracht heeft gekregen en voor rechtmatig moet worden gehouden. [1] Dat verzoeker, zoals door hem gesteld, geen hoger beroep heeft ingesteld omdat dat veel geld kost, maakt niet dat een uitzondering moet worden aangenomen op het beginsel van formele rechtskracht. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

8. Omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit zal het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen. Zoals onder overweging 6.1 al is opgemerkt ziet de rechtbank aanleiding om éénmaal het griffierecht terug te betalen aan verzoeker.

Beslissing

De rechtbank wijst het schadeverzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 23 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.