ECLI:NL:RBZWB:2026:344
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2023 met diverse voorzieningen en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van € 981.000 per 1 januari 2024. Hij stelt een lagere waarde van € 840.000 voor en voert aan dat de gebruiksoppervlakte onjuist is berekend.
De rechtbank oordeelt dat de taxateur van de gemeente de oppervlakte correct heeft vastgesteld aan de hand van een bestektekening en de NEN-2580 norm, die consistent is toegepast. De referentiewoningen die de heffingsambtenaar gebruikte voor de vergelijkingsmethode zijn voldoende vergelijkbaar qua type, bouwjaar, ligging en uitstraling.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatiematrix en correcties toegepast die rekening houden met verschillen in kwaliteit en afnemend grensnut. De rechtbank vindt de argumenten van belanghebbende over lagere WOZ-waarden in de omgeving en hogere waardestijgingen niet doorslaggevend, omdat verschillen in gebruiksoppervlakte, kwaliteit en voorzieningen een andere waardering rechtvaardigen.
De rechtbank concludeert dat de waarde en aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van € 981.000 blijft gehandhaafd.