Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3465

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/4873
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:54 AwbArt. 2:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep parkeerbelasting wegens elektronische bereikbaarheid

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en diende vervolgens beroep in. De rechtbank had het beroep op 15 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, omdat de uitspraak op bezwaar digitaal was verzonden en niet tijdig was ontvangen.

Belanghebbende stelde dat hij de uitspraak op bezwaar pas per post ontving en het digitale bericht in de spamfilter was beland. De heffingsambtenaar voerde aan dat het e-mailadres dat belanghebbende bij het bezwaar had opgegeven, voldoende was voor elektronische correspondentie en dat het niet tijdig ontvangen van de digitale uitspraak geen rechtvaardiging bood voor overschrijding.

De rechtbank oordeelde dat enkel het vermelden van een e-mailadres bij het bezwaar niet betekent dat belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij elektronisch bereikbaar is voor correspondentie. Er was onvoldoende bewijs dat belanghebbende hiermee akkoord was gegaan. Belanghebbende had het beroepschrift ingediend op de dag van ontvangst van de uitspraak per post. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het verzet gegrond verklaard.

De uitspraak van 15 januari 2026 vervalt en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. De rechtbank wees erop dat ook na hervatting het beroep alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen proceskosten toegekend aan belanghebbende.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen.
1.2.
De griffier heeft op 3 maart 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 3 maart 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft zich bij bericht van 15 april 2026 afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de beroepstermijn is overschreden. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Belanghebbende voert aan dat de uitspraak op bezwaar digitaal is verzonden naar een zakelijk e-mailadres, waarbij het bericht in de spamfilter terecht is gekomen. Belanghebbende heeft hierdoor binnen de beroepstermijn geen kennis kunnen nemen van de uitspraak. Belanghebbende heeft beroep ingesteld op de dag dat hij de uitspraak op bezwaar per post heeft ontvangen.
2.2.
De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zelf bezwaar heeft ingediend via het digitale loket. Bij het indienen van bezwaar dient er een e-mailadres te worden opgegeven waarop de correspondentie rondom het bezwaar plaatsvindt. De uitspraak op bezwaar is naar het e-mailadres verzonden dat is opgegeven. Dat de beslissing als spam is aangemerkt en daardoor niet tijdig onder ogen is gekomen, is geen rechtvaardiging voor het overschrijden van de beroepstermijn.
2.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.4.
De rechtbank overweegt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. [3] Uit jurisprudentie van de Hoge Raad [4] volgt dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende bij het indienen van zijn bezwaar zijn e-mailadres heeft vermeld, niet de conclusie kan rechtvaardigen dat hij kenbaar heeft gemaakt langs die weg voldoende bereikbaar te zijn.
2.5.
De rechtbank ziet in de stukken in dit geval onvoldoende om te kunnen aannemen dat belanghebbende te kennen heeft gegeven in het kader van het door hem op 21 mei 2025 gemaakte bezwaar bereikbaar te zijn langs de elektronische weg. De omstandigheid dat belanghebbende op een contactformulier voor het indienen van een bezwaarschrift zijn emailadres heeft ingevuld, volstaat hiervoor niet. De rechtbank is immers niet gebleken dat op dit formulier is vermeld dat de indiener door het invullen van zijn e-mailadres ermee akkoord gaat dat het bestuursorgaan correspondentie in de bezwaarprocedure – zoals een uitspraak op het bezwaar – naar dit e-mailadres verstuurt. De rechtbank acht het ook niet onaannemelijk dat het e-mailadres op een verplicht veld van het contactformulier moest worden ingevuld.
2.6.
Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij het beroepschrift heeft ingediend op de dag dat hij de uitspraak op bezwaar per post heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak op bezwaar eerder dan op 24 september 2025 (de dag van het indienen van het beroepschrift) bekend is gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de uitspraak van 15 januari 2026 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan. Het verzet is gegrond.

Conclusie en gevolgen

3. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 15 januari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3.1.
Belanghebbende heeft in verzet geen proceskosten gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 2:14, eerste lid van de Awb.
4.Hoge Raad 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728.