ECLI:NL:RBZWB:2026:3476

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
25/1670
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7t KadasterwetArt. 7s KadasterwetArt. 7r KadasterwetArt. 6:19 AwbArt. 1 Kadasterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herstel kadastrale oppervlakte perceel afgewezen wegens ontbreken discrepantie met brondocumenten

Eiseres verzocht om herstel van de kadastrale oppervlakte van haar perceel, stellende dat de geregistreerde oppervlakte van 407 m² of 438 m² onjuist is en 521 m² zou moeten zijn, gebaseerd op een notariële akte uit 1957. De bewaarder wees het verzoek aanvankelijk af, maar herzag dit na aanvullend onderzoek en corrigeerde de noordgrens ambtshalve, wat leidde tot een aangepaste oppervlakte van 438 m².

De rechtbank oordeelt dat het relaas van bevindingen uit 1959, waarin de grenzen zijn vastgesteld, als bindend brondocument geldt en niet ter discussie kan staan in deze bestuursrechtelijke procedure. De notariële akte is een civielrechtelijk document en niet doorslaggevend voor de kadastrale registratie. Er is geen discrepantie tussen het relaas van bevindingen en de BRK vastgesteld die het herstelverzoek rechtvaardigt.

Hoewel de bewaarder een discrepantie constateerde met betrekking tot de noordgrens, is deze inmiddels ambtshalve hersteld. De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De bewaarder wordt verplicht het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen omdat de kadastrale oppervlakte overeenkomt met de authentieke brondocumenten en geen sprake is van een misslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1670

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

en

de bewaarder van het kadaster en de openbare registers, de bewaarder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een beslissing op bezwaar van 30 januari 2025 (bestreden besluit I) waarin de bewaarder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 16 december 2024 waarin de bewaarder het verzoek van eiseres heeft afgewezen. Dit verzoek hield een verzoek in tot herstel van onjuiste gegevens in de Basisregistratie Kadaster (BRK) op grond van artikel 7t van de Kadasterwet. De bewaarder heeft op 2 oktober 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II) waarin bestreden besluit I is herroepen en het bezwaar gegrond is verklaard. Eiseres is het ook met de inhoud van dat besluit niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de reactie van de bewaarder op het herstelverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt. De rechtbank heeft namelijk geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de bewaarder dat de kadastrale oppervlakte van het perceel van eiseres (inmiddels) overeenkomt met de brondocumenten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 25 november 2024 heeft eiseres een verzoek ingediend tot herstel van onjuiste gegevens in het kadaster omdat zij vindt dat de grootte van haar perceel onjuist is geregistreerd in de BRK. De bewaarder heeft dit verzoek met het besluit van 16 december 2024 afgewezen. Met bestreden besluit I heeft de bewaarder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Met bestreden besluit II heeft de bewaarder bestreden besluit I herroepen en het bezwaar alsnog gegrond verklaard.
2.2.
Eiseres is het ook niet eens met bestreden besluit II en heeft op 14 oktober 2025 gereageerd dat zij het beroep wenst voort te zetten. Op 15 december 2025 en 24 januari 2026 heeft zij aanvullende gronden ingediend en op 6 maart 2026 een schriftelijke verklaring van een derde. [1]
2.3.
De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [naam 1] en [naam 2] namens eiseres en mr. P.A.M. Schamp (de bewaarder), bijgestaan door [naam 3] en [naam 4] (landmeter).

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiseres is eigenaar van de woning met bijbehorend perceel aan [adres] (gemeente Goirle). Het geschil gaat over de kadastrale oppervlakte van het bijbehorende perceel. Inmiddels heeft dit perceel de volgende kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 1] .
3.1.
Eiseres is de echtgenote van wijlen [naam 5] . Op 25 oktober 1957 heeft [naam 5] twee gedeeltes gekocht van twee percelen die destijds stonden geregistreerd als [kadastrale aanduiding 2] en [kadastrale aanduiding 3] . Op de notariële akte heeft het geleverde deel van [kadastrale aanduiding 2] een grootte van 113 m² en heeft het geleverde deel van [kadastrale aanduiding 3] een grootte van 408 m². Op 16 april 1959 zijn de nieuwe grenzen als gevolg van deze verkoop eensluidend aangewezen door [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Bij het perceel van [naam 5] staat op de aanwijs genoteerd: “aangewezen door [naam 6] ”. De gegevens van deze aanwijs en meting staan vermeld in het relaas van bevindingen ‘ [kenmerk 1] ’ (hierna: het relaas van bevindingen van 1959). Op basis van de hulpkaart kadastraal bekend ‘ [kenmerk 2] ’ heeft hierna bijwerking van de kadastrale kaart plaatsgevonden door de kadastrale grenzen en de kadastrale oppervlakte van het perceel vast te stellen. Met deze verwerking in de BRK zijn de door [naam 5] verkregen percelen vernummerd tot het perceel ‘ [kadastrale aanduiding 4] ’ (hierna: [kadastrale aanduiding 4] ) met een oppervlakte van 420 m².
Op 14 september 1979 is het gebied rondom perceel [kadastrale aanduiding 4] opnieuw ingemeten door een landmeter. Dit is opgenomen in het relaas van bevindingen kadastrale kaart ‘ [kenmerk 3] ’. De kadastrale oppervlakte van [kadastrale aanduiding 4] is hierna op basis van de hulpkaart kadastraal bekend ‘ [kenmerk 4] ’ geredresseerd van 420 naar 407 m².
In 1997 heeft een gemeentelijke herindeling plaatsgevonden waarbij het perceel [kadastrale aanduiding 4] over is gegaan naar het perceel ‘ [kadastrale aanduiding 5] . De gemeentelijke herindeling is opgenomen in het relaas van bevindingen ‘ [kenmerk 5] ’. Op 11 december 1997 heeft [naam 5] een brief ontvangen van de directeur van het Kadaster Noord-Brabant over de wijziging van de kadastrale aanduiding.
3.2.
Op 25 november 2024 heeft eiseres een verzoek tot herstel ingediend van onjuiste gegevens in het kadaster op grond van artikel 7t van de Kadasterwet. Zij vindt dat de kadastrale oppervlakte van het (voormalige) perceel [kadastrale aanduiding 5] verkeerd staat in de BRK. Volgens de BRK zou het perceel [kadastrale aanduiding 5] een oppervlakte hebben van 407 m², maar dat is onjuist omdat [naam 5] in 1957 twee percelen heeft gekocht van 113 m² en van 408 m², dus in totaal 521 m². Eiseres vindt dat het perceel van 113 m² ten onrechte niet is meegenomen.
3.3.
Met het besluit van 16 december 2024 heeft de bewaarder het verzoek om herstel afgewezen omdat uit onderzoek is gebleken dat de gegevens in de BRK overeenstemmen met het brondocument. Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Met bestreden besluit I heeft de bewaarder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen een beroepschrift ingediend.
3.4.
Hierna heeft de bewaarder aanvullend onderzoek uitgevoerd waarbij hij is gestuit op een discrepantie tussen een brondocument en de kadastrale kaart. Vervolgens heeft de bewaarder met bestreden besluit II het eerder genomen bestreden besluit I herroepen en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft ook een ambtshalve herstel plaatsgevonden dat is vastgelegd in het relaas van bevindingen met [kenmerk 6] . [2] Op basis van de hulpkaart met [kenmerk 7] is de BRK ambtshalve bijgewerkt. Het perceel [kadastrale aanduiding 5] is vervolgens vernummerd naar [kadastrale aanduiding 1] met een grootte van 438 m².
Bestreden besluit I
4. De bewaarder heeft met bestreden besluit I het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard omdat de gegevens op de kadastrale kaart overeenkomen met het brondocument, namelijk het relaas van bevindingen van 1959. In dit brondocument zijn de aanwijs en gegevens van de meting verwerkt. In de akte van levering van de percelen staan voorlopige kadastrale grenzen en worden voorlopige groottes genoemd. Voor de vaststelling van de kadastrale grenzen is echter de aanwijs in het terrein door belanghebbenden leidend.
Bestreden besluit II
5. De bewaarder heeft met bestreden besluit II het eerder genomen bestreden besluit I herroepen omdat bestreden besluit I onvolledig is. Uit nader onderzoek door de landmeetkundig specialist is namelijk gebleken dat de kadastrale kaart niet overeenkomt met de gegevens op het minuutplan met betrekking tot de kadastrale noordelijke grens aan de achterzijde van perceel [kadastrale aanduiding 5] .
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Op grond van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet is de bewaarder bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een in de BRK genoemd gegeven te herstellen. Dat doet de bewaarder op basis van authentieke gegevens.
Wat voert eiseres aan?
7. Eiseres is het niet eens met de in de BRK geregistreerde kadastrale oppervlakte van het perceel met het huidige nummer [kadastrale aanduiding 1] . Deze oppervlakte moet volgens haar 521 m² zijn en niet 407 m² of 438 m². In 1957 heeft de notaris namelijk vastgelegd dat haar echtgenoot gedeeltes van twee percelen kocht met een grootte van bij elkaar opgeteld 521 m². Eiseres concludeert daarom dat verkeerd moet zijn gemeten. Bovendien loopt de perceelgrens op de huidige kadastrale kaart schuin, terwijl de grens tussen de percelen [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 6] nog recht liep op oude kaarten. Ook dat wijst op een fout in de BRK. Om tot 521 m² te komen, vindt eiseres dat de kadastrale westgrens moet worden verschoven naar het westen. Het gehele huidige perceel [kadastrale aanduiding 6] en een gedeelte van het perceel [kadastrale aanduiding 7] zouden daardoor aan haar perceel (moeten) worden toegevoegd.
Ten tweede betwist eiseres de inhoud van het relaas van bevindingen van 1959. Uit dit brondocument zou blijken dat tijdens de aanwijs op 6 april 1959 door [naam 6] de grenzen zouden zijn aangewezen in het bijzijn van [naam 5] . Dit klopt echter niet want [naam 5] was hier helemaal niet bij aanwezig. Ter onderbouwing van de onjuistheid van het relaas van bevindingen waarin de aanwijs is verwerkt, verwijst eiseres ook naar een verklaring van [naam 6] . Tijdens de zitting hebben de vertegenwoordigers van eiseres ten derde aangevoerd dat zij niet begrijpen dat de aanwijs leidend is voor de registratie in de BRK. De aanwijs is namelijk door leken gedaan en niet door de landmeter zelf. Ten slotte vraagt eiseres aan de rechtbank om te beoordelen of sprake is van verjaring.
Wat voert de bewaarder aan?
8. De bewaarder stelt voorop dat eiseres de inhoud van het relaas van bevindingen van 1959 ter discussie probeert te stellen, maar dat is in deze procedure niet mogelijk. Een verzoek op grond van artikel 7t van de Kadasterwet kan namelijk niet gericht zijn tegen gegevens in een brondocument, zoals de aanwijs in het relaas van bevindingen. Dat volgt uit vaste rechtspraak. In deze zaak kan het dus alleen gaan over de vraag of de verwerking van een brondocument in de BRK op de juiste manier is gegaan. Op grond van artikel 7t van de Kadasterwet wordt een herstelverzoek alleen toegewezen wanneer sprake is van een kennelijke misslag. Dat betekent dat sprake moet zijn van een verschil tussen het voor de vermeende misslag relevante brondocument en de gegevens in de BRK.
8.1.
De bewaarder heeft verder het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een discrepantie tussen de BRK en een brondocument, waaruit zou blijken dat de oppervlakte van het perceel 113 m² te klein zou zijn geregistreerd zoals eiseres dat stelt. De bewaarder is na de start van dit beroep echter wel op een andere discrepantie gestuit tussen de BRK en een ander brondocument dan het relaas van bevindingen van 1959, namelijk tussen de kadastrale kaart en het minuutplan. Die geconstateerde discrepantie heeft te maken met de noordgrens van het perceel. Tijdens de zitting hebben de bewaarder en [naam 4] toegelicht dat met de aanwijs in 1959 de nieuwe grenzen van het perceel door de partijen zijn aangewezen en dat deze grenzen vervolgens zijn geregistreerd door de landmeter in het relaas van bevindingen van 1959. Deze gegevens zijn hierna geregistreerd in de BRK. Niet alle grenzen van het perceel zijn echter in 1959 aangewezen en gewijzigd, maar alleen de zijgrenzen. [3] Met de noordgrens van het perceel is niets gebeurd tijdens de aanwijs in 1959. Voor de noordgrens gold nog de minuutgrens. Een minuutgrens is een grens die ten tijde van de oprichting van het Kadaster is gevormd, dus de eerste oorspronkelijke registratie in de BRK. De minuutgrenzen zijn vastgelegd op het minuutplan. Nadat [naam 4] het minuutplan had vergeleken met de BRK, kwam hij tot de conclusie dat sprake was van een discrepantie tussen het minuutplan en de BRK. Inmiddels is volgens de bewaarder nu geen sprake meer van een misslag, omdat de bewaarder naar aanleiding van het beroep ambtshalve de BRK heeft aangepast door de kadastrale kaart te wijzigen en de kadastrale oppervlakte te corrigeren. [4] Verder heeft de bewaarder bestreden besluit I herroepen.
Tijdens de zitting heeft de bewaarder ten slotte erkend dat het beroep gegrond moet worden verklaard omdat de kadastrale registratie met het ambtshalve herstel uiteindelijk wel is gewijzigd als een gevolg van het beroep. De bewaarder blijft er echter bij dat de door eiseres veronderstelde discrepantie van 113 m² niet aan de orde is.
Wat oordeelt de rechtbank
9. Naar oordeel van de rechtbank heeft de bewaarder kunnen uitgaan van de aanwijs uit 1959 als brondocument en heeft hij ook het standpunt kunnen innemen dat geen discrepantie bestaat tussen de aanwijs en de BRK waaruit zou volgen dat het perceel van eiseres 113 m² te klein zou zijn geregistreerd in de BRK.
9.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft eerder in vaste rechtspraak geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 7t van de Kadasterwet (
Kamerstukken II2005/06, 30 544, nr. 3, blz. 18 en 20) kan worden afgeleid dat met artikel 7t van de Kadasterwet is beoogd een regeling te bieden voor het op verzoek herstellen van misslagen in de BRK. [5] Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is geschied omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat van bevindingen. Het verzoek kan niet gericht zijn tegen het resultaat van de bevindingen, dat aan de belanghebbende is medegedeeld.
9.2.
De rechtbank constateert dat eiseres vindt dat haar perceel te klein is geregistreerd door een kwestie die te maken heeft met de totstandkoming van de westelijke perceelgrens van het huidige perceel [kadastrale aanduiding 1] . Uit het verweerschrift en de toelichting van de bewaarder tijdens de zitting, leidt de rechtbank af dat deze westelijke perceelgrens is gevormd door verwerking van het relaas van bevindingen van 1959 waarin de aanwijs was vastgelegd. De bewaarder heeft dit relaas van bevindingen aangemerkt als brondocument en ten grondslag gelegd aan de beoordeling van het verzoek tot herstel van eiseres. De rechtbank is het met de bewaarder eens dat van een discrepantie tussen dit brondocument en de BRK niet is gebleken. Eiseres is er niet in geslaagd om te onderbouwen dat wel sprake zou zijn van een discrepantie tussen dit brondocument en de BRK.
9.3.
Het betoog van eiseres dat de aanwijs onjuist zou zijn omdat [naam 5] daar niet bij aanwezig was en de verwijzing naar de verklaring van [naam 6] , maken deze conclusie van de rechtbank niet anders. Volgens vaste rechtspraak kan de inhoud van het relaas van bevindingen niet meer ter discussie staan in deze procedure. [6] Als een (nieuw) perceel wordt gevormd en de BRK daarom wordt bijgewerkt, dan worden belanghebbenden namelijk met een kennisgeving van de bijwerking op de hoogte gesteld. Die bijwerking is een besluit dat op rechtsgevolg is gericht en daar kunnen de belanghebbenden bezwaar tegen maken. Nergens blijkt uit dat eiseres (of haar echtgenoot) destijds gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tegen deze vaststelling bezwaar te maken. De vaststelling staat dus in rechte vast. Dit dient de rechtszekerheid. De bewaarder heeft daarom terecht gesteld dat relaas van bevindingen van 1959 onherroepelijk vaststaat omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt en dat de juistheid van de inhoud van het relaas in deze procedure niet ter discussie kan staan. Het is niet meer na te gaan of de aanwijs in 1959 in strijd met de regels heeft plaatsgevonden. Als het zo is dat [naam 5] het niet eens was met de aanwijs, dan lag het op zijn weg om daar op dat moment in verband met de inschrijving van het perceel in de BRK navraag naar te doen. Dat hij of eiseres dat toen niet hebben gedaan, komt voor rekening van eiseres.
9.4.
Het betoog van eiseres dat niet de aanwijs maar de notariële akte uit 1957 leidend zou moeten zijn in het proces van de totstandkoming van de perceelgrenzen en dat het vreemd is dat de aanwijs door leken wordt gedaan in plaats van door een deskundige, maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders. De wet bepaalt dat de aanwijs door de belanghebbenden zelf plaatsvindt. [7] Zij verschaffen de inlichtingen aan de met de meting belaste ambtenaar. Vervolgens maakt de met de meting belaste ambtenaar een relaas van bevindingen. [8] In dit relaas van bevindingen verwerkt hij dus de informatie die door de belanghebbenden wordt aangeleverd. Anders gezegd is de notariële akte een civielrechtelijk document dat volgens de wet niet doorslaggevend is in het bestuursrechtelijke perceelvormingsproces.
9.5.
De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres het vreemd vindt dat zoveel verschil zit tussen de opgetelde grootte van de perceeldelen die genoemd zijn in de notariële akte van 1957 én de kadastrale oppervlakte in het relaas van bevindingen van 1959. De bewaarder heeft echter een verklaring gegeven voor dit verschil en de rechtbank kan deze verklaring volgen. Tijdens de zitting heeft de bewaarder toegelicht dat in dit specifieke geval sprake is van een notariële akte waar twee delen van een perceel worden geleverd waarbij de delen nog niet zijn gespecificeerd (in de akte). De genoemde groottes van beide delen zijn voorlopige groottes. Met de aanwijs hebben partijen vervolgens de nieuw te vormen percelen gespecificeerd en de verwerking daarvan heeft geleid tot de kadastrale oppervlakte van het in 1959 nieuw gevormde perceel. Het komt volgens de bewaarder (zeker in oudere gevallen) voor dat een verschil bestaat tussen de genoemde voorlopige grootte in de notariële akte (een civielrechtelijk document) en het relaas van bevindingen. Dat maakt echter niet dat sprake is van een discrepantie tussen de BRK en een brondocument, omdat de notariële akte geen brondocument is.
9.6.
De rechtbank heeft verder geen reden om aan te nemen dat sprake is van een andere misslag met betrekking tot de westelijke perceelgrens. Ook niet omdat volgens eiseres op oude kadastrale kaarten de westelijke perceelgrens nog recht liep, maar op de huidige kaarten schuin. Deze perceelgrens is immers gevormd door de verwerking van het relaas van bevindingen van 1959 in de BRK.
9.7.
Concluderend heeft eiseres gelet op wat de rechtbank heeft besproken in overweging 9 tot en met 9.6 inhoudelijk geen gelijk dat haar perceel 113 m² te klein is door de totstandkoming van de westelijke perceelgrens. Eiseres heeft achteraf echter wel gelijk dat haar perceel te klein was geregistreerd in de BRK om een geheel andere reden dan die zij heeft aangevoerd tijdens dit beroep. Dit volgt uit wat de rechtbank in overweging 8.1 heeft besproken. De rechtbank vat het standpunt van de bewaarder in overweging 8.1 zo op, dat de bewaarder van oordeel is dat de westelijke perceelgrens juist in de BRK staat geregistreerd omdat geen sprake is van een discrepantie tussen het relaas van bevindingen van 1959 en de BRK. De bewaarder is echter wel van mening dat de noordelijke grens onjuist in de BRK was geregistreerd. De rechtbank merkt op dat dit twee verschillende (gestelde) discrepanties zijn over verschillende grenzen van hetzelfde perceel, namelijk over de westgrens en over de noordgrens. Door het ambtshalve herstel is geen sprake meer van een discrepantie tussen het minuutplan en de BRK. Dat betekent dat inmiddels geen sprake meer is van een misslag met betrekking tot de noordelijke perceelgrens omdat de bewaarder naar aanleiding van het beroep ambtshalve de BRK heeft aangepast door de kadastrale kaart te wijzigen en de kadastrale grootte te corrigeren.
9.8.
Eiseres heeft de rechtbank ten slotte gevraagd om te beoordelen of sprake is van verjaring. Dat kan de rechtbank in deze uitspraak niet doen. Het gaat in deze zaak namelijk om een geschil bij de bestuursrechter over een verzoek tot herstel op grond van artikel 7t van de Kadasterwet. De civiele rechter is de bevoegde rechter om een beroep op verjaring te beoordelen en niet de bestuursrechter. De bestuursrechter gaat ook niet over het eigendom van de percelen en mag in deze zaak alleen het verzoek tot herstel op grond van artikel 7t van de Kadasterwet beoordelen.

Conclusie en gevolgen

10. Eiseres krijgt dus geen gelijk omdat niet is gebleken van een discrepantie van 113 m² tussen het relaas van bevindingen van 1959 en de BRK. Omdat bestreden besluit I al is herroepen, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover dat is gericht tegen bestreden besluit I. Het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit II, is ongegrond.
11. Ondanks dat eiseres geen gelijk krijgt, bepaalt de rechtbank wel dat de bewaarder het griffierecht aan eiseres moet vergoeden. De bewaarder is namelijk alsnog op een discrepantie gestuit die ziet op de noordgrens tijdens aanvullend onderzoek naar aanleiding van het beroep. Bovendien heeft het beroep ertoe geleid dat de bewaarder een nieuwe beslissing op het bezwaar heeft genomen (namelijk bestreden besluit II) waarmee hij de oorspronkelijke beslissing op bezwaar (bestreden besluit I) heeft herroepen. Eiseres heeft naast het griffierecht geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit II, ongegrond;
- bepaalt dat de bewaarder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 28 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Kadasterwet
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…];
  • authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij wettelijk voorschrift als authentiek is aangemerkt;
  • basisregistratie: verzameling gegevens, waarvan bij wet is bepaald dat deze een basisregistratie vormt;
[…];
- brondocument:
1°. in de openbare registers ingeschreven of anderszins door de Dienst gehouden document, of
2°. besluit of gewaarmerkt afschrift daarvan;
[…];
  • kadastrale grens: op basis van inlichtingen van belanghebbenden en met gebruikmaking van de bescheiden, bedoeld in artikel 50, door de Dienst vastgestelde grens tussen percelen;
  • kadastrale grootte: indicatieve omvang van een perceel, berekend door de Dienst;
  • kadastrale kaart: kadastrale kaart als bedoeld in artikel 48, derde lid;
  • Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;
  • openbare registers: openbare registers als bedoeld in artikel 16 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 8, eerste lid;
  • perceel: kadastraal geïdentificeerd en met kadastrale grenzen begrensd deel van het Nederlands grondgebied;
  • rechtspersoon: privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, met inbegrip van de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid;
  • registratie: registratie of basisregistratie.
Artikel 7n
2. De Dienst neemt na ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid een beslissing omtrent wijziging van het betreffende authentieke gegeven. Indien de Dienst die beslissing niet binnen een dag na ontvangst van die melding heeft genomen, tekent de Dienst in de basisregistratie kadaster, of ingeval de melding betrekking heeft op een gegeven als bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdeel a, b of c, in een afzonderlijk register, aan dat het betreffende gegeven «in onderzoek» is.
3. De Dienst verwijdert de aantekening dat een authentiek gegeven «in onderzoek» is uit de basisregistratie kadaster of het afzonderlijk register tegelijk met de verwerking van de wijziging in die basisregistratie of, indien een melding als bedoeld in het eerste lid niet tot wijziging leidt, met de beslissing om het authentieke gegeven niet te wijzigen.
4. De beslissing, bedoeld in het tweede en derde lid, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
5. […]
6. De Dienst doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de belanghebbende van zijn beslissing op grond van het tweede of derde lid, indien die beslissing heeft geleid tot een wijziging van het betreffende authentieke gegeven.

Artikel 7r

Indien ten aanzien van een beslissing over wijziging van een authentiek gegeven dat is opgenomen in de basisregistratie kadaster bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, tekent de Dienst in de basisregistratie kadaster, of ingeval het betreffende gegeven een gegeven is als bedoeld in artikel 48, derde lid, onderdeel a, b of c, in een afzonderlijk register, aan dat het betreffende authentieke gegeven «in onderzoek» is.
Indien de beslissing op bezwaar of de rechterlijke uitspraak op het beroep strekt tot wijziging van een in de basisregistratie kadaster opgenomen authentiek gegeven, verwerkt de Dienst die wijziging in die basisregistratie.
Indien onherroepelijk is beslist op het bezwaar of beroep, verwijdert de Dienst de aantekening dat het betreffende authentieke gegeven «in onderzoek» is.
Artikel 7s
1. Indien de Dienst constateert dat de weergave van een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 7f, tweede lid, of 7g, eerste lid, in de basisregistratie kadaster niet in overeenstemming is met dat gegeven, als opgenomen in een brondocument of, ingeval een authentiek gegeven wordt afgeleid uit een brondocument, dat gegeven niet juist en volledig daaruit is afgeleid, herstelt de Dienst ambtshalve dat gegeven in die basisregistratie. De artikelen 7n, vierde en zesde lid, en 7r zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7t
1. Indien een belanghebbende gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, […], kan die belanghebbende onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster doen. De artikelen 7n, tweede tot en met vierde en zesde lid, en 7r zijn van overeenkomstige toepassing indien het verzoek betrekking heeft op een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, […].

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen bestreden besluit I mede betrekking op bestreden besluit II.
2.Artikel 7s van de Kadasterwet gaat over ambtshalve herstel.
3.Dus de west- en oostgrenzen.
4.Op grond van artikel 7s van de Kadasterwet.
5.ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6130, r.o. 7.
6.ABRvS 1 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:4653, r.o. 7.3.
7.Artikel 57, eerste en derde lid, van de Kadasterwet.
8.Artikel 57, vierder lid, van de Kadasterwet.