Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3531

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/02/442885 / FA RK 25-6364 (hoofdzaak)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 223 RvArt. 3 RvArt. 4 RvArt. 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming erkenning en onderzoek omgangsregeling minderjarige met vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 maart 2026 een zaak waarin de man, met Marokkaanse nationaliteit en woonachtig in België, vervangende toestemming voor erkenning van zijn minderjarige zoon verzocht, alsmede een omgangsregeling wilde vaststellen. De vrouw, moeder en gezaghouder, was het hier niet mee eens vanwege zorgen over de veiligheid en stabiliteit van de vader en de mogelijke gevolgen voor het kind.

De rechtbank stelde vast dat de man de biologische vader is en dat het Nederlands recht van toepassing is op de erkenning. De vrouw weigerde toestemming, maar de rechtbank oordeelde dat de belangen van de man en het kind zwaarder wegen en verleende vervangende toestemming voor erkenning. De taak van de bijzondere curator werd beëindigd.

Ten aanzien van de omgangsregeling oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende informatie is over de levensomstandigheden van de vader, zijn verblijfsstatus en de impact op het kind, die een achterstand en problematiek vertoont. Daarom werd een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming bevolen. Het verzoek tot voorlopige omgangsregeling werd afgewezen omdat het belang van het kind zwaarder weegt dan het belang van de vader om niet te hoeven wachten op de hoofdzaak.

De behandeling van de zaak werd aangehouden tot ontvangst van het rapport van de Raad, met een pro forma datum van 29 september 2026. De rechtbank behoudt zich verdere beslissingen voor.

Uitkomst: Vervangende toestemming voor erkenning verleend, verzoek voorlopige omgangsregeling afgewezen, onderzoek Raad voor de Kinderbescherming bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/442885 / FA RK 25-6364 (hoofdzaak)
C/02/442881 / FA RK 25-6361 (provisionele voorziening)
Datum uitspraak: 30 maart 2026
beschikking over vervangende toestemming erkenning en omgang tevens over een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] (België),
advocaat: mr. E.B. Doganer in Amsterdam tijdens de zitting waargenomen door
mr. A. Sarioglu in Amsterdam,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.E. Teusink in Roosendaal.
Als belanghebbende in onderhavige zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt:
de minderjarige:
[minderjarige]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige]
vertegenwoordigd door mr. J.A. Scanlan in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
in beide zaken
  • de in deze zaken gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 13 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van mr. Teusink van 5 maart 2026 met bijlagen;
  • de brief van mr. Doganer van 7 maart 2026 met bijlagen;
  • de brief van mr. Doganer van 16 maart 2026 met bijlage;
  • een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] ;
  • het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ;
in zaaknummer C/02/442885 / FA RK 25-6364
- het op 5 maart 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Marokkaanse taal en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
Gelet op de nauwe samenhang van de verzoeken in de hoofdzaak en het verzoek om een provisionele voorziening heeft de rechtbank deze verzoeken gelijktijdig op de zitting mondeling behandeld.

2.De nadere beoordeling

In beide zaken
2.1
Bij voormelde beschikking van 13 februari 2026 heeft de rechtbank mr. J.A. Scanlan benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het afstammingsverzoek in te nemen.
In zaaknummer C/02/442885 / FA RK 25-6364
2.2
Aan de rechtbank ligt nog het verzoek van de man voor om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a.
primair: een omgangsregeling te treffen tussen de man en [minderjarige] , zoals door de man is beschreven onder randnummer 10 van het verzoekschrift;
subsidiair: een omgangsregeling te treffen tussen de man en [minderjarige] zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
b. de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen en in dit verband te bepalen dat deze te wijzen beschikking in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw tot erkenning van [minderjarige] ;
c. kosten rechtens.
2.3
Daarnaast ligt aan de rechtbank voor het zelfstandig verzoek van de vrouw, voor zover
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling van de man met [minderjarige] vast te stellen onder professionele begeleiding op een neutrale locatie.
In zaaknummer C/02/442881 / FA RK 25-6361
2.4
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), voor de duur van het geding en uitvoerbaar bij voorraad:
d.
primair:een omgangsregeling te treffen tussen de man en [minderjarige] , zoals door de man is beschreven onder randnummer 10 van dit verzoekschrift;
subsidiair: een omgangsregeling te treffen tussen de man en [minderjarige] zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
e. kosten rechtens;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
In beide zaken
2.5
Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast:
  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren.
  • Op de geboorteakte van [minderjarige] staat enkel de vrouw als ouder vermeld;
  • De man heeft [minderjarige] dus niet erkend.
  • De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] .
  • De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • De vrouw en [minderjarige] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De man heeft zijn gewone verblijfplaats in België.
2.6
De man legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat de relatie tussen partijen voorafgaand aan de geboorte van [minderjarige] is beëindigd. Het eerste contact tussen de man en [minderjarige] vond ongeveer een maand na de geboorte van [minderjarige] plaats. Vanaf dat moment tot omstreeks augustus 2024 heeft de man elke woensdag na 17.00 uur tot 19.00 uur bij de vrouw thuis omgang met [minderjarige] gehad. Vervolgens heeft de vrouw het contact met de man verbroken en verder contact tussen de man en [minderjarige] niet meer toegestaan. De vrouw stelt dat de man haar zou hebben gestalkt en lastiggevallen en dat de man vervolgens niets meer van zich heeft laten horen. De man betwist deze stelling uitdrukkelijk. De man heeft zich zowel tijdens de relatie van partijen alsook daarna heel netjes jegens de vrouw gedragen. De omstandigheid dat de man, zonder dat daar enige reden voor was, plots [minderjarige] niet meer mocht zien, deed en doet de man veel verdriet. De man wenst een mooie sterke band met [minderjarige] op te bouwen, hetgeen in het belang is van een goede ontwikkeling van [minderjarige] . Omgang tussen ouder en kind is ook het wettelijk uitgangspunt. De man wil dan ook graag dat de door hem verzochte opbouwende omgangsregeling wordt vastgesteld in de hoofdzaak of bij wijze van voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing in de hoofdzaak. Daarnaast vindt de man het in het belang van [minderjarige] dat hij hem als zijn zoon erkent. De man is namelijk de verwekker en biologische vader van [minderjarige] . Met de erkenning worden de biologische werkelijkheid en de juridische werkelijkheid gelijk getrokken. Erkenning betekent ook dat de man juridische ouder wordt van [minderjarige] . Dit is essentieel voor het welzijn van [minderjarige] , omdat het rechten geeft op, onder andere, erfenis en nationaliteit. Ook wordt daarmee de afstamming vastgelegd wat van essentieel belang is voor de ontwikkeling en vorming van de identiteit van [minderjarige] . De vrouw heeft aangegeven niet in te stemmen met een erkenning van [minderjarige] door de man. Volgens haar zouden de omstandigheden bij de man te onzeker zijn (in verband met zijn verblijfsstatus). Ook zou erkenning leiden tot gezamenlijk gezag, waarvoor volgens de vrouw geen basis is. De door de vrouw genoemde redenen vormen, nog afgezien van de onjuistheid daarvan, echter geen grond om de erkenning niet toe te staan, aldus de man. Nu de vrouw weigert haar toestemming te geven voor de erkenning van [minderjarige] door de man, verzoekt de man om hem met toepassing van het Nederlandse recht daarvoor vervangende toestemming te verlenen.
In aanvulling hierop is door en namens de man tijdens de zitting aangevoerd dat de man juiste intenties heeft om [minderjarige] te willen erkennen; hij wil er namelijk als vader voor [minderjarige] zijn, een band met hem opbouwen en een bijdrage leveren in zijn kosten. Dat de man geen verblijfstatus heeft in België (dan wel in Nederland) staat hier los van. Hij wil wel graag in België (dan wel in Nederland) kunnen blijven om er voor [minderjarige] te kunnen zijn. De man denkt dat er een kans bestaat dat hij een verblijfstatus zal krijgen. Hij betwist uitdrukkelijk dat de vrouw bij erkenning van [minderjarige] door de man dan wel bij omgang tussen de man en [minderjarige] heeft te vrezen voor de veiligheid van [minderjarige] . De man heeft nimmer de intentie geuit om met [minderjarige] naar het buitenland te vertrekken. Hij wil, zoals al aangegeven, graag een band met [minderjarige] opbouwen. Hij is bereid om omgang onder begeleiding of toezicht te laten plaatsvinden. Ook is de man bereid om aan een onderzoek door de Raad mee te werken. Hij zou dan wel graag zien dat in afwachting van dit onderzoek al een vorm van (begeleide) omgang tussen hem en [minderjarige] zal zijn. Dan kan de Raad dit meenemen in zijn onderzoek. Verder geeft de man nog aan dat hij als voetbalcoach heeft gewerkt met kinderen met autisme. Hij heeft ook tijdens een cursus geleerd hoe hij met deze kinderen moet omgaan.
2.7
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en heeft een zelfstandig verzoek gedaan. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan dat de man, anders dan hij stelt, zich gedurende de relatie niet netjes heeft gedragen jegens de vrouw. Zo heeft de vrouw op 7 mei 2019 aangifte jegens de man gedaan terzake een mishandeling. Er is ook een periode geweest dat de man de vrouw heeft lastiggevallen en heeft gestalkt. De vrouw heeft daarna lang niets van de man gehoord. De man is illegaal in Nederland. Dit betekent dat hij kan worden uitgezet. Er is ook geen duidelijkheid over zijn inkomen, werkomstandigheden, netwerk en hoe het verder met hem gaat. De vrouw betwist dat er bij de man een voldoende veilige en stabiele omgeving voor [minderjarige] is. De man heeft ook tegen haar gezegd dat hij [minderjarige] mee wil nemen naar Marokko. De vrouw maakt zich hier grote zorgen over. De vrouw is van mening dat het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] moet worden afgewezen. Zij vermoedt dat de man dit verzoek heeft gedaan in verband met zijn verblijfsstatus. Erkenning van [minderjarige] door de man zal de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] schaden. Daarnaast komt hierdoor een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] in het gedrang. De man is immers illegaal, wil met [minderjarige] naar Marokko en biedt geen enkele stabiele basis voor omgang. Voorts is er bij [minderjarige] sprake van een achterstand in de taalspraak-, de sociaal-emotionele- en spelontwikkeling. Gelet hierop is onder andere plaatsing op een medisch kinderdagverblijf (hierna: MKD) en ondersteuning in de thuissituatie geadviseerd. Als gevolg van de bij hem aanwezig problematiek, kan [minderjarige] niet veel veranderingen tegelijk hanteren. Hiermee zal eveneens rekening moeten worden gehouden. Uit al het voorgaande blijkt ook van contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige] . De vrouw is dan ook van mening dat het verzoek om vaststelling van een omgangsregeling eveneens moet worden afgewezen. Als er al omgang moet zijn, dan kan dat hoogstens voor een beperkt aantal uren en onder strikte begeleiding in verband met de veiligheid van [minderjarige] . De vrouw heeft geen bezwaar tegen een tussenbeschikking die, eventueel zonder voorafgaande mondelinge behandeling, wordt gegeven indien daarbij een raadsonderzoek wordt gelast naar erkenning van [minderjarige] door de man en omgang tussen de man en [minderjarige] .
In aanvulling hierop is door en namens de vrouw tijdens de zitting aangevoerd dat de man, anders dan hij stelt, [minderjarige] in april 2024 voor het laatste heeft gezien. De man heeft daarna nog een gesprek met de vader van de vrouw gehad, maar sindsdien heeft de vrouw niets meer van hem gehoord. Er is dus al heel lang geen contact geweest tussen [minderjarige] en de man. Daarbij blijft de vrouw zich afvragen wat de intenties van de man zijn om [minderjarige] als zijn kind te erkennen. Is dit omdat hij als vader een band met [minderjarige] wil opbouwen of is dit om een verblijfstatus te krijgen? Voor dit laatste is erkenning echter niet bedoeld. Daarnaast kan de man, als hij met een erkenning de juridisch vader van [minderjarige] zou worden, voor [minderjarige] een Marokkaans paspoort aanvragen. Het risico bestaat dan dat de man [minderjarige] zal meenemen naar Marokko. Verder heeft de vrouw geen enkel zicht op de levensomstandigheden van de man en of hij [minderjarige] de veiligheid kan bieden die hij nodig heeft. Dit geldt zeker gelet op de bij [minderjarige] aanwezige kindeigen problematiek. De vrouw begrijpt dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij weet wie zijn vader is en dat hij omgang met zijn vader kan hebben. Hierbij moet de veiligheid van [minderjarige] wel zijn gewaarborgd. De vrouw is dan ook van mening dat de Raad eerst onderzoek moet doen naar erkenning en omgang voordat hiertoe kan worden overgegaan. Tijdens dit onderzoek kunnen de levensomstandigheden van de man in beeld worden gebracht, gekeken worden of, hoe en waar (begeleide) omgang dient plaats te vinden, wie de kosten hiervan op zich moet nemen en hoe om te gaan met de taalbarrière nu de man geen Nederlands spreekt. Het is daarbij ook van belang dat de Raad bij dit alles de kindeigen problematiek van [minderjarige] betrekt; wat het een en ander voor hem zal betekenen en hoe de man en de vrouw hiermee het beste kunnen omgaan. Gelet hierop vindt de vrouw ook het vaststellen van een omgangsregeling in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, zoals de man bij wijze van voorlopige voorziening heeft verzocht, niet aan de orde.
2.8
De bijzondere curator heeft in haar schriftelijk verslag naar voren gebracht dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het kind en de man die verwekker is in beginsel er recht op
hebben dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend. De man en de vrouw hebben beiden aangegeven dat [minderjarige] verwekt is door de man. De bijzondere curator heeft geen reden om hieraan te twijfelen. De vrouw heeft aangegeven dat een vervangende toestemming tot erkenning er niet toe zal leiden dat dit haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] zal schaden. Daarnaast ziet de bijzondere curator geen reële risico’s voor [minderjarige] dat hij ten gevolge van een erkenning zal worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Ook verder zijn er naar de mening van de bijzondere curator geen belemmeringen voor een erkenning van [minderjarige] door de man. Door een erkenning wordt de afstammingsband juridisch vastgelegd en wordt de feitelijke situatie in overeenstemming gebracht met de juridische situatie. Dit is in het belang van [minderjarige] . De bijzondere curator adviseert dan ook om het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] toe te wijzen.
In aanvulling hierop heeft de bijzondere curator tijdens de zitting aangevoerd dat zij, ook op de zitting, niet is gebleken van contra-indicaties voor erkenning van [minderjarige] door de man. Voor hem is het belangrijk dat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de juridische situatie. Dat de man geen verblijfsstatus heeft, maakt dit niet anders. Dit geldt ook voor de vrees van de vrouw dat de man na een erkenning een Marokkaans paspoort voor [minderjarige] kan aanvragen en hem mee naar Marokko kan nemen. Marokko is namelijk net als Nederland lid bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
2.9
Namens de Raad is tijdens de zitting aangevoerd dat de Raad een onderzoek aangewezen acht. [minderjarige] is immers een jong en kwetsbaar kind, dat zijn vader al ruim anderhalf jaar niet heeft gezien. Hij weet hierdoor niet wie zijn vader is. Gelet op de bij hem aanwezige problematiek is het ook de vraag wat omgang met de man voor hem zal betekenen. Daarnaast hebben partijen verschillende visies op hun gezamenlijke verleden. Hierdoor maakt de vrouw zich zorgen over de veiligheidssituatie van [minderjarige] bij de man. Ook de omstandigheid dat de man illegaal in België verblijft, maakt het ingewikkeld. De kans bestaat immers dat de man zal worden uitgezet, hetgeen een verlieservaring voor [minderjarige] kan betekenen. De Raad vindt het daarom belangrijk dat al deze factoren goed in beeld worden gebracht, voordat tot omgang tussen [minderjarige] en de man kan worden over gegaan. Dit betekent dat de Raad ook het vaststellen van een omgangsregeling in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, zoals dat man bij wijze van voorlopige voorziening heeft verzocht, niet passend vindt. De Raad verwacht zes maanden nodig te hebben om onderzoek te doen en hierover te rapporteren.
Internationaal privaatrecht
2.1
Vanwege het feit dat de man de Marokkaanse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken, en zo ja, welk recht van toepassing is op de verzoeken.
Internationale bevoegdheid ten aanzien van afstammingsverzoek
2.11
In artikel 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Omdat de vrouw en [minderjarige] hun woonplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het afstammingsverzoek kennis te nemen.
Internationale bevoegdheid ten aanzien van de verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling in de hoofdzaak en bij wijze van voorlopige voorziening
2.12
In artikel 7 lid 1 van Pro de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering staat dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige] ten tijde van het aanhangig maken van de verzoeken zijn gewone verblijfplaats had in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd de verzoeken van de man tot vaststelling van een omgangsregeling in de hoofdzaak en bij wijze van voorlopige voorziening en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot vaststelling van een omgangsregeling in de hoofdzaak te beoordelen.
Relatieve bevoegdheid ten aanzien van alle verzoeken
2.13
Op grond van artikel 265 Rv Pro is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De vrouw en [minderjarige] zijn woonachtig in een gemeente binnen het arrondissement van deze rechterbank, zodat deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van deze verzoeken.
In zaaknummer C/02/442885 / FA RK 25-6364
Toepasselijke recht ten aanzien van afstammingsverzoek
2.14
In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
2.15
De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. Volgens het Marokkaanse recht is een erkenning, zoals bedoeld in artikel 10:95, eerste lid, BW, niet mogelijk. Daarom zal de rechtbank op de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, het recht toepassen van de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] . [minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland, zodat het Nederlands recht hierop van toepassing is. Volgens het Nederlands recht doet een erkenning familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen een persoon en een kind.
2.16
In artikel 10:95, derde lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, ongeacht het in het eerste lid toepasselijke recht, op de toestemming van de vrouw tot erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de vrouw de nationaliteit bezit. Bezit de vrouw de nationaliteit van meer dan een staat, dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is vereist. Bezit de vrouw de Nederlandse nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks ongeacht of de vrouw, naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de vrouw. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.
2.17
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. Daarom is op de toestemming van de vrouw het Nederlandse recht van toepassing.
Erkenning
2.18
In artikel 1:204, derde lid, BW staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de vrouw wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
Voor de man en de vrouw staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De vrouw is van mening dat sprake is van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden voor het geven van vervangende toestemming voor erkenning. In dit verband heeft zij aangegeven dat zij twijfelt over de intentie van de man om [minderjarige] te erkennen; is het hem om een band met [minderjarige] te doen of om op basis van een erkenning een verblijfstatus te krijgen? Daarnaast vreest de vrouw dat de man na een erkenning voor [minderjarige] een Marokkaans paspoort zal aanvragen en hem mee naar Marokko zal nemen. Verder vraagt zij zich af de man aan [minderjarige] , zeker gezien de bij [minderjarige] aanwezige kindeigen problematiek, een stabiele basis voor omgang kan geven. De man verblijft immers illegaal in België en er geen zicht is op zijn levensomstandigheden. De vrouw heeft overigens ook aangegeven dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij weet wie zijn vader is. De man heeft aangegeven dat het hem bij een erkenning echt om [minderjarige] is te doen. Hij wil graag als vader een band met hem opbouwen. De man ontkent daarnaast dat hij voornemens is om [minderjarige] na een erkenning mee te nemen naar Marokko. Hij meent zichzelf ook in staat om [minderjarige] een veilige omgeving te kunnen bieden.
De rechtbank stelt vast dat genoemde zorgen van de vrouw over een erkenning van [minderjarige] door de man met name zien op omgang tussen de man en [minderjarige] . Hiervoor geldt echter een ander toetsingskader. Deze zorgen maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een van de twee uitzonderingsgronden voor het geven van vervangende toestemming voor erkenning. Dit geldt ook voor de zorgen over de reden waarom de man tot erkenning wil overgaan en de vrees voor het meenemen van [minderjarige] naar Marokko. Deze zorgen worden ook door de man betwist. De rechtbank vindt het - met de bijzondere curator - juist in het belang van [minderjarige] dat voor hem duidelijk wordt wie zijn biologische vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de man en [minderjarige] dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw om hiervan af te zien. De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente daadwerkelijk gaan erkennen.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.19
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Toepasselijk recht ten aanzien van verzoeken tot vaststelling omgangsregeling
2.2
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling kennis te nemen, is op deze verzoeken op basis van artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) het Nederlands recht van toepassing.
Omgangsregeling
2.21
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen.
2.22
De rechtbank heeft op dit moment te weinig informatie om een beslissing te kunnen geven op de verzoeken van partijen tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [minderjarige] nog heel jong is en bij hem sprake is van achterstand op verschillende ontwikkelingsgebieden waarvoor plaatsing op een MKD en ondersteuning in de thuissituatie is geadviseerd. Daarnaast heeft [minderjarige] zijn vader al zeker anderhalf jaar niet gezien. Hij weet dus niet wie zijn vader is. Verder verblijft de man momenteel illegaal in België. Er is geen zicht op of hij daar (dan wel in Nederland) in aanmerking kan komen voor een verblijfsstatus of dat er een reële kans bestaat dat hij wordt uitgezet. Ook is er geen zicht op zijn levensomstandigheden en of hij in staat is om [minderjarige] de veilige omgeving te bieden die hij, mede gezien zijn kindeigen problematiek, nodig heeft. Wat dit extra moeilijk maakt is dat de man de Nederlandse taal (nog) niet spreekt. Hij kan dus (nog) niet met woorden met [minderjarige] communiceren. Al deze omstandigheden maken dat de rechtbank een onderzoek door de Raad noodzakelijk vindt, voordat omgang tussen de man en [minderjarige] kan plaatsvinden. Tijdens dit onderzoek dient de Raad zicht te krijgen op de problematiek van [minderjarige] en wat omgang met de man voor hem kan betekenen, op de verblijfsstatus van de man en op zijn levensomstandigheden. Tijdens dit onderzoek dient ook gekeken te worden hoe statusvoorlichting aan [minderjarige] en voorlichting aan de man (en de vrouw) over de bij [minderjarige] aanwezige problematiek het beste kan worden gegeven. Van belang is namelijk dat de man, mocht het tot omgang komen, op een goede manier bij [minderjarige] kan aansluiten. Daarnaast dient de Raad zich over de praktische kanten van een eventuele omgangsregeling uit te laten, zoals waar de omgang dient plaats te vinden, wie voor het vervoer moet zorgen en de kosten hiervan moet betalen. Daarbij dient de Raad ook andere vormen dan fysieke omgang te betrekken. De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien? Fysiek en/of digitaal? Begeleid of onbegeleid? Waar? Met welke opbouw?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Hoe kan in het belang van [minderjarige] statusvoorlichting over de man aan hem worden gegeven? Moet de vrouw daarin begeleid worden en zo ja, door wie?
- Hoe kan de man (en eventueel de vrouw) worden voorgelicht over de problematiek bij [minderjarige] om ervoor te zorgen dat de man goed bij [minderjarige] kan aansluiten?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden.
In zaaknummer C/02/442881 / FA RK 25-6361
Toepasselijk recht ten aanzien verzoek tot vaststelling omgangsregeling bij wijze van provisionele voorziening
2.23
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om het provisionele verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling kennis te nemen, is op dit verzoek op basis van artikel 15 HKBV Pro 1996 het Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid
2.24
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
2.25
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
2.26
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek.
2.27
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
2.28
De rechtbank vindt het gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en zijn kwetsbaarheid voor hem van groot belang dat de Raad eerst onderzoek zal doen, voordat omgang tussen [minderjarige] en de man kan plaatsvinden. Dit belang van [minderjarige] weegt zwaarder dan het belang van de man en de rechtbank is van oordeel dat het niet zo is dat niet van de man gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht. De rechtbank zal het verzoek van de man om bij wijze van voorlopige voorziening een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen dan ook afwijzen.
In beide zaken
2.29
Dit betekent dat als volgt wordt beslist. De rechtbank behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

3.De beslissing

De rechtbank
In zaaknummer C/02/442885 / FA RK 25-6364
3.1
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
3.2
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
3.3
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
3.4
houdt de behandeling van de zaak aan tot
29 september 2026 pro formain afwachting van het rapport van de Raad;
3.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
In zaaknummer C/02/442881 / FA RK 25-6361
3.6
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.