Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de terugvordering van een te veel ontvangen WIA-uitkering door eiseres. Het UWV had een bedrag van €20.580,18 bruto vastgesteld, dat met 25% werd gematigd tot €15.435,13 en vervolgens teruggevorderd. Na bezwaar matigde het UWV het bedrag tot €10.290,09, waartegen eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte is uitgegaan van verrekening van voorschotten zonder een formeel herzienings- en terugvorderingsbesluit. Vaststaat dat eiseres te veel uitkering ontving door niet-verrekende inkomsten van de gemeente Breda, en dat het UWV hierin een fout maakte. Eiseres was zich bewust van de te veel ontvangen uitkering.
De rechtbank benadrukt dat herziening en terugvordering aan grenzen zijn gebonden, waarbij rekening moet worden gehouden met de oorzaak van de fout en een belangenafweging moet plaatsvinden. Gezien de fout van het UWV en het beleid aansluitend bij de zesmaandenjurisprudentie, wordt de terugvordering gematigd tot 25%, afgerond op €5.000.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herzien de uitkering over de periode 7 juni 2023 tot 1 juni 2025, en bepaalt de terugvordering op €5.000. Tevens wordt het griffierecht en proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend, terwijl het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.