Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3643

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/4734
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Bijlage II BorArt. 12a Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor twee distributiecentra op bedrijventerrein Breda

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep tegen een omgevingsvergunning verleend aan een bedrijf voor de bouw van twee distributiecentra met kantoren en een geluidscherm op een perceel in Breda. Eisers voerden aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college onjuiste procedures heeft gevolgd.

De rechtbank oordeelt dat de aanvraag onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt, omdat deze voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Het bouwplan valt binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' en de categorieën 1 tot en met 3.2, waaronder distributiecentra vallen. De afwijking van de bouwhoogte van het geluidscherm is toegestaan op grond van artikel 2.12 Wabo, waarbij het college de juiste voorbereidingsprocedure heeft gevolgd.

De rechtbank stelt vast dat de oppervlakte van het geluidscherm correct is berekend en dat de ruimtelijke impact van de afwijking beperkt is. Ook is het akoestisch onderzoek zorgvuldig uitgevoerd en voldoet het bouwplan aan de geluidgrenswaarden. Ten aanzien van stikstofdepositie en ecologie is geen aanhaakplicht van toepassing, omdat een natuurvergunning apart is aangevraagd.

De rechtbank concludeert dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend en verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van twee distributiecentra wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[Milieuvereniging], uit [plaats 1] ,
[natuur-en milieuvereniging], uit [plaats 2] ,
[stichting], uit [plaats 3] , en
[Vereniging], uit [plaats 2]
eisers
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [b.v. 1] (hierna: [b.v. 1] ) en [b.v. 2] (hierna: [b.v. 2] ) uit [plaats 4]
(gemachtigde: mr. T.G. Oztürk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan [b.v. 1] (hierna: [b.v. 1] ) voor het realiseren van twee distributiecentra met kantoren en het plaatsen van een perceelafscheiding en geluidscherm op de [locatie] te [plaats 3] . Eisers zijn het met dat besluit niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [b.v. 1] heeft op 21 december 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee distributiecentra met kantoren en het plaatsen van een perceelafscheiding en geluidscherm op het perceel kadastraal bekend [plaats 3] , [sectie] , [nummer] .
Het college heeft met het besluit van 2 juli 2024 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:
 het bouwen van een bouwwerk,
 het gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eisers heeft het college zijn besluit gehandhaafd.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers vinden dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het college om die reden geen omgevingsvergunning had mogen verlenen.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-partijen hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [persoon] ( [Milieuvereniging] ), mr. [vertegenwoordiger college] , de gemachtigde van derde-partijen en [directeur b.v. 2] (directeur [b.v. 2] ).

Beoordeling door de rechtbank

De omvang van het geding en de regelgeving
3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2023. Dit betekent dat de Wabo in dit geval van toepassing blijft.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4. Het college heeft het bouwplan van [b.v. 1] getoetst aan de regels van het [bestemmingsplan 1] ’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Breda op 20 december 2018 en het college heeft dat bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 9 januari 2019 (nr. 2922).
In de bekendmaking is vermeld dat het bestemmingsplan voorziet in een wijziging van het [bestemmingsplan 2] ’. Dat is voor de rechtbank aanleiding geweest om op de zitting te bespreken of er ook regels uit het [bestemmingsplan 2] ’ gelden voor het perceel. Het college heeft daarop toegelicht dat de regels van het [bestemmingsplan 1] ’ in de plaats komen van de regels van het [bestemmingsplan 2] ’, voor zover die hetzelfde gebied beslaan. De rechtbank ziet dat bevestigd op de digitale verbeelding van beide bestemmingsplannen op het Omgevingsloket Online. De rechtbank stelt vast dat het [bestemmingsplan 2] ’ een groter gebied beslaat dan het gebied waarvoor het [bestemmingsplan 1] ’ geldt. De rechtbank gaat ervan uit dat het [bestemmingsplan 2] ’ alleen nog van toepassing is op de gronden die buiten de grenzen van het [bestemmingsplan 1] ’ vallen. De rechtbank ziet dat ook bevestigd in de toelichting op het [bestemmingsplan 1] ’ (paragraaf 1.2):
“Tot het plangebied behoren niet de bestaande woon- en bedrijfsfuncties ten oosten van [straat] . Voor deze functies zijn de gebruiksmogelijkheden voldoende geborgd in het vigerende [bestemmingsplan 2] ’.”.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan van [b.v. 1] volledig binnen de grenzen van het [bestemmingsplan 1] ’ valt. Dat betekent dat het college de aanvraag aan de juiste planregels heeft getoetst.
5. Partijen zijn het erover eens dat op het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ rust en dat het gehele bouwplan binnen de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ valt. Ook gelden voor delen van het perceel de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Water’, en de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie’ en ‘Waarde-Ecologie’.
Voldoet het bouwplan aan de regels van het bestemmingsplan?
6. Eisers hebben aangevoerd dat het niet is toegestaan om distributiecentra te bouwen op het perceel, omdat het bestemmingsplan de komst van een distributiecentrum uitsluit. Zij wijzen in dat verband op de toelichting bij het [bestemmingsplan 1] ’, paragraaf 2.3.3 (Verkeer), waar onder het kopje ‘Verkeersgeneratie’ is vermeld:

“Voor de [bestemmingsplan 1] is sprake van een gemengd bedrijventerrein: ‘terrein met een hindercategorie 1, 2, 3 of 4 bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën ‘hoogwaardig bedrijvenpark’ of ‘distributiepark’. Gemengde terreinen kennen een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit lichte moderne industrie en overige (‘modale‘) industrie.”.

6.1.
Volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) [1] moeten de planregels uit het oogpunt van rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. Dat wil zeggen dat de op de plankaart aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende planregels leidend zijn. Pas wanneer de letterlijke betekenis van een planregel niet duidelijk is, zijn andere factoren, waaronder de toelichting op het bestemmingsplan, relevant voor de uitleg van een planregel.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ voor de gronden met de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ geldt dat bedrijven behorende tot de categorieën 1 tot en met 3.2 zijn toegestaan. De gronden zijn daarnaast bestemd voor bijvoorbeeld: parkeren, verkeer, groen en water. Dit is bepaald in artikel 3.1 van de planregels. Welke bedrijven vallen onder de categorieën 1 tot en met 3.2, blijkt uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij de planregels is gevoegd. Uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten blijkt dat ‘distributiecentra, pak- en koelhuizen’ (SBI-code 6312) vallen onder categorie 3.1, dus binnen de categorieën 1 tot en met 3.2. Er is ook een ‘Lijst uitgezonderde bedrijven’ als bijlage 2 bij de planregels gevoegd. Daarop zijn ‘distributiecentra’ niet vermeld.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de regels van het [bestemmingsplan 1] ’ duidelijk, en geven deze geen ruimte voor interpretatie. De – niet bindende – toelichting op het bestemmingsplan heeft in dit geval dan ook geen betekenis voor het antwoord op de vraag of het bouwplan voldoet aan de regels van het bestemmingsplan. Het college heeft terecht overwogen dat het bestemmingsplan het bouwen van distributiecentra op het perceel toestaat.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan, met uitzondering van de bouwhoogte van een te plaatsen geluidscherm, geheel voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Dat geluidscherm wordt 22 meter lang, heeft een bouwhoogte van 6 meter en is daarmee hoger dan de maximaal toegestane bouwhoogte van geluidbeperkende voorzieningen van 5 meter binnen de bestemming ‘Groen’.
De afwijkingsbevoegdheid
8. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de planregels. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Vanwege de beleidsruimte die het college in dat kader heeft, dient de rechtbank zich in haar beoordeling terughoudend op te stellen.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de belangenafweging uitsluitend die belangen kunnen worden betrokken die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Van de bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn opgenomen, zijn de ruimtelijke gevolgen door de gemeenteraad immers al afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. [2]
De rechtbank dient zich in haar beoordeling dus te beperken tot de ruimtelijke impact die uitgaat van geluidscherm, voor zover dat hoger wordt dan de maximaal toegestane bouwhoogte van 5 meter. Het gaat dus om de ruimtelijke impact van het feit dat het geluidscherm over een lengte van 22 meter niet 5 maar 6 meter hoog wordt.
9. Eisers hebben aangevoerd dat het college de verkeerde voorbereidingsprocedure heeft gevolgd, en dat het de uitgebreide voorbereidingsprocedure had moeten volgen zoals die is uitgewerkt in afdeling 3.4 van de Awb [3] in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure.
De uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven in gevallen waarin het college toepassing geeft aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo.
9.1.
Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om van de regels van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 van Pro bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor die gevallen is de reguliere voorbereidingsprocedure voorgeschreven.
Die bevoegdheid geldt – onder meer – voor (onderdeel 3 van artikel 4) bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 10 meter, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m².
9.2.
Eisers stellen zich op het standpunt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van deze artikelen af te wijken van het bestemmingsplan, omdat de totale oppervlakte van het geluidscherm groter is dan 50 m². Eisers hebben de oppervlakte van het geluidscherm als volgt berekend: lengte x hoogte, dus 22 meter x 6 meter = 132 m².
9.3.
De rechtbank volgt het standpunt van eisers niet. De oppervlakte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet – in het horizontale vlak – worden berekend door de lengte te vermenigvuldigen met de breedte. Derde-partijen merken in hun schriftelijke reactie op het beroepschrift terecht op dat voor de hoogte een aparte maatvoering is opgenomen onder a van onderdeel 3 van artikel 4, bijlage II bij het Bor, namelijk een hoogte van maximaal 10 meter. Niet in geschil is dat de lengte van het geluidscherm (22 meter) vermenigvuldigd met de breedte van het scherm (15 centimeter) een oppervlakte oplevert van 3,3 m². Derde-partijen hebben op zitting toegelicht dat er een fundering onder het geluidscherm komt, en dat het scherm kolommen heeft die breder zijn dan 15 cm. In hun reactie op het beroepschrift hebben zij verder toegelicht dat het geluidscherm op de rand van een betonplaat komt te staan, waarvan zij vinden dat die niet aan het geluidscherm is toe te rekenen. Zij hebben vervolgens toegelicht dat, als in de berekening van de oppervlakte rekening wordt gehouden met de kolommen én met de betonplaat – in het slechtste geval – de oppervlakte van het geluidscherm 10,8 m² bedraagt.
De rechtbank is van oordeel dat het college gelet op het voorgaande terecht heeft aangenomen dat het geluidscherm voldoet aan de eisen van artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor. Dat betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo af te wijken van de regels van het bestemmingsplan en dat het de juiste voorbereidingsprocedure heeft gevolgd.
10. Het college heeft beleid vastgesteld voor het afwijken van een bestemmingsplan: de ‘Beleidsregels voor het afwijken van een bestemmingsplan Breda 2015’. Hierin zijn echter geen specifieke beleidsregels voor geluidwerende voorzieningen opgenomen. Het college heeft daarom een individuele belangenafweging verricht. Het college heeft overwogen dat, omdat het gaat om een overschrijding van de maximale bouwhoogte van maar 1 meter en het geluidscherm op een afstand van 11 meter van de openbare weg komt te staan, het scherm qua hoogte en lengte ondergeschikt is aan de omgeving en dat de aanliggende percelen daarvan geen onevenredige hinder ondervinden. Het college heeft meegewogen dat de zuidkant van het geluidscherm begroeid zal zijn met klimop en dat er ook een groenstrook wordt aangeplant, zodat die groenstrook het zicht op het geluidscherm voor een groot deel zal wegnemen.
Aan het bestreden besluit is ook akoestisch onderzoek voorafgegaan. In opdracht van [b.v. 1] heeft [v.o.f.] onderzocht wat de geluidbelasting is van het bouwplan op de (woningen in de) directe omgeving als gevolg van alle activiteiten en werkzaamheden en deze getoetst aan de wettelijke geluidgrenswaarden, een en ander op basis van een worstcaseprognose van de toekomstige bedrijfssituatie. [v.o.f.] heeft op 14 mei 2024 rapport uitgebracht en ook dat rapport maakt onderdeel uit van de verleende omgevingsvergunning. [v.o.f.] heeft geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het college heeft op basis daarvan in redelijkheid kunnen overwegen dat het afwijken van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank ziet geen redelijk om aan de zorgvuldige totstandkoming of aan de inhoud van het akoestisch rapport te twijfelen. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingebracht.
Stikstofdepositie en ecologie
11. Eisers hebben aangevoerd dat het college niet de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen verlenen voordat is aangetoond dat er effectieve maatregelen zijn of worden getroffen om de stikstofdepositie naar beneden te krijgen. Daarnaast merken zijn op dat het bouwplan leidt tot een verstoring van buizerds en mogelijk ook van vleermuizen, en dat daarvoor geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is verleend.
Als de realisatie van en bouwplan gevolgen heeft voor beschermde diersoorten, dan kon een ontheffing op grond van de Wnb vereist zijn. In zo’n geval wordt gesproken van een ‘aanhaakplicht’ bij de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt in het geval een bouwproject qua stikstofdepositie significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Het college heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat van een aanhaakplicht in dit geval geen sprake is, aangezien [b.v. 1] in dit geval niet verplicht was om tegelijk met de omgevingsvergunning ook een Wnb-ontheffing aan te vragen. Het college heeft in het bestreden besluit overwogen dat [b.v. 1] bij de aanvraag een ecologisch rapport (Quickscan ecologie Ecoresult) heeft ingediend en dat het dit heeft laten toetsen door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, die een positief advies heeft afgegeven. Daarnaast is het rapport beoordeeld door een intern specialist en heeft er ook nader (veld)onderzoek plaatsgevonden. Het college heeft zich ervan vergewist dat het ecologisch onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de inhoud juist is.
Met betrekking tot de stikstofdepositie is in het bestreden besluit overwogen dat [b.v. 1] ervoor heeft gekozen een aanvraag voor een natuurvergunning te doen bij Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant en dat deze aanvraag op 23 januari 2025 is ingediend. Het college heeft terecht opgemerkt dat het al dan niet separaat doorlopen van een procedure voor een Natura 2000-activiteit tot de (vrije) keuze van de aanvrager behoort. Omdat [b.v. 1] een aanvraag voor een natuurvergunning heeft ingediend bij Gedeputeerde Staten, is de zogenoemde aanhaakplicht ook in dat opzicht niet (meer) aan de orde.

Conclusie en gevolgen

12. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 1 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, lid 1 (voor zover relevant):
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
het bouwen van een bouwwerk,
[…]
het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […],
[…].
Artikel 2.10:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van Pro die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, lid 1 (voor zover relevant):
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:
met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Artikel 4 van Pro bijlage II:
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 5 m, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
niet hoger dan 10 m, en
de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
e bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraken van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3579 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2966
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:603, overweging 8.3.
3.Algemene wet bestuursrecht