Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3644

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
25/2069
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 67a AWRParagraaf 21 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verzuimboete vennootschapsbelasting wegens te late aangifte

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte vennootschapsbelasting (VpB) 2021 tijdig in te dienen, maar heeft dit pas op 6 december 2023 gedaan, ruim na de gestelde termijn van 17 augustus 2022. De inspecteur legde daarom een verzuimboete van € 2.757 op, de helft van het wettelijk maximum.

Belanghebbende voerde aan dat inlogproblemen en de samenvoeging van aangiften 2019 en 2020 in het portaal de tijdige indiening belemmerden, en stelde dat de aanslag nihil was waardoor financiële problemen zouden bestaan. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd voor deze belemmeringen en onvoldoende inzicht gaf in de financiële situatie.

De rechtbank stelt vast dat opzet of schuld niet vereist is voor een verzuimboete, maar dat deze achterwege kan blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Dit is hier niet het geval. Ook overschrijding van de beslistermijn en overige aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen matiging.

De redelijke termijn is niet overschreden; de boete is passend en geboden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de verzuimboete blijft in stand en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verzuimboete wegens te late aangifte vennootschapsbelasting 2021.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2069
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting (VpB) 2021 een verzuimboete van € 2.757 opgelegd (de verzuimboete).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de verzuimboete ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.4.
De griffier heeft op 8 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaak is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende heeft afgezien van digitale bereikbaarheid buiten het digitale systeem voor gegevensverwerking om. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 8 januari 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. Uit het bericht van 4 maart 2026 leidt de rechtbank ook af dat belanghebbende de uitnodiging heeft ontvangen.

Feiten

1.5.
Belanghebbende is per brief van 1 maart 2022 uitgenodigd om aangifte Vpb te doen, over het tijdvak dat loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.
1.6.
Belanghebbende is op 21 juni 2022 herinnerd en op 3 augustus 2022 aangemaand om aangifte Vpb 2021 te doen.
1.7.
Belanghebbende heeft de aangifte Vpb 2021 ingediend op 6 december 2023.
1.8.
Met dagtekening 5 oktober 2024 heeft de inspecteur de aanslag Vpb 2021 en de verzuimboete vastgesteld. De verzuimboete is opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte Vpb 2021.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

3. Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd. [2] De inspecteur heeft in dit geval een verzuimboete opgelegd van 50 procent in overeenstemming met het in 2021 geldende wettelijk maximum van € 5.514, ofwel € 2.757. [3]
3.1.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte Vpb 2021 in te dienen. Er is geen aangifte gedaan binnen de in de aanmaning gestelde termijn van 17 augustus 2022. Dit enkele feit rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete van 50 procent. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang. Een verzuimboete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas) of wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt. Van avas is slechts sprake als belanghebbende in de gegeven omstandigheden alle van de haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen. [4] De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.
3.2.
De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op avas. Belanghebbende stelt dat zij de aangifte Vpb 2021 niet tijdig kon indienen vanwege inlogproblemen in het aangifteportaal en omdat de aangifte Vpb 2019 en 2020 in één aangifte in het portaal waren opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavig geval geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Belanghebbende heeft geen bewijs aangeleverd voor zijn stellingen dat sprake was van inlogproblemen, laat staan dat dit de gehele periode is geweest waar belanghebbende in de gelegenheid is gesteld aangifte te doen. Ook is niet duidelijk wat de invloed is van de weergave van belastingjaren zoals belanghebbende stelt op de (on)mogelijkheid om tijdig de aangifte in te dienen. Al wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De verzuimboete is daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd.
3.3.
Voor zover belanghebbende stelt dat de aanslag nihil is en daarmee een beroep doet op slechte financiële omstandigheden waardoor betaling niet mogelijk zou zijn, is deze stelling naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd. Belanghebbende heeft geen inzicht gegeven in de financiële situatie van de vennootschap en daarom kan niet worden geoordeeld dat de belanghebbende niet over de financiële middelen beschikt om de verzuimboete te betalen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding tot matiging van de verzuimboete op de enkele grond dat de beslistermijn in de bezwaarfase is overschreden. Ook in dat wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete in het onderhavige geval passend en geboden.
Undue delay
3.4.
De rechtbank stelt vast dat 5 oktober 2024 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de verzuimboete met de aanslag VPB 2021 voor het eerst is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 29 april 2026. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde verzuimboete in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 29 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch .

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
3.Paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
4.Vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.