ECLI:NL:RBZWB:2026:371

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/02/441490 / FA RK 25-5637
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige omgangsregeling wegens ontbreken spoedeisend belang

Partijen, voormalig gehuwd en ouders van een minderjarige, hebben een voorlopige omgangsregeling betwist. De man verzocht om een regeling waarbij hij en de minderjarige om de week in het weekend contact zouden hebben, terwijl de vrouw een andere regeling voorstelde. De rechtbank constateerde dat partijen sinds september 2025 feitelijk uitvoering geven aan een omgangsregeling waarbij de man de minderjarige in de even weken in het weekend ontvangt. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening.

De rechtbank overwoog dat de wensen en behoeften van partijen over de definitieve omgangsregeling thuishoren in de bodemprocedure die reeds aanhangig is. Pogingen tot overeenstemming tijdens de zitting slaagden niet. De verzoeken tot voorlopige omgangsregeling werden daarom afgewezen en partijen werden niet-ontvankelijk verklaard.

Het zelfstandige verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige kinderalimentatieregeling werd niet inhoudelijk behandeld en doorverwezen naar het cluster familierecht van de rechtbank. De rechtbank gaf aan dat het hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak kan worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot voorlopige omgangsregeling wegens ontbreken van spoedeisend belang en verwijst het alimentatieverzoek door.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441490 / FA RK 25-5637
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking over een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam ,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden te Breda,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het op 29 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro, met bijlagen;
  • het op 4 november 2025 ontvangen bericht van mr. Weisz-Hertsworm, met bijlagen;
  • het op 10 november 2025 ontvangen bericht van mr. Weisz-Hertsworm, met bijlage;
  • het op 20 november 2025 ontvangen verweerschrift tegen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, met daarin zelfstandige verzoeken tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met bijlagen;
  • het op 5 januari 2026 ontvangen bericht van mr. Weisz-Hertsworm, met bijlagen;
  • het op 6 januari 2026 ontvangen bericht van mr. Küppers-van Duivenbooden, met bijlage.
1.2.
Op 8 januari 2026 heeft de rechtbank de verzoeken mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de man, bijgestaan door mr. Weisz-Hertsworm;
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Küppers-van Duivenbooden;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
1.3.
Tussen partijen is bij deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig over, samengevat, wijziging ouderlijk gezag, vaststelling hoofdverblijf, vaststelling verdeling zorg- en contactregeling dan wel omgangsregeling, vaststelling informatie- en consultatieregeling en vaststelling kinderalimentatieregeling. De rechtbank heeft deze bodemprocedure geregistreerd onder het zaaknummer C/02/441428 / FA RK 25-5594. In deze procedure zal de rechtbank nog een zitting plannen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 17 maart 2021 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [geboortedag] 2021 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
[minderjarige] is buiten het huwelijk van partijen geboren op [geboortedag] 2021.
2.3.
De man heeft [minderjarige] erkend met de toestemming van de vrouw.
2.4.
Bij de erkenning hebben partijen gezamenlijk verklaard dat het ouderlijk gezag over [minderjarige] alleen door de vrouw zal worden uitgeoefend. Dit blijkt uit de overgelegde geboorteakte van [minderjarige] en de daarbij horende latere vermelding betreffende erkenning. Deze gezagssituatie is nadien niet gewijzigd. Dit betekent dat de vrouw thans nog steeds met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt, bij wijze van provisioneel verzoek op grond van artikel 223 Rv Pro, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, totdat de rechtbank in de bodemprocedure heeft beslist, te bepalen dat de man en [minderjarige] in de even weken van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zondag 19.00 uur en in de oneven weken van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zaterdag 19.00 uur het recht hebben op omgang met elkaar, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en de vrouw hem op zaterdag dan wel op zondag weer bij de man ophaalt, althans subsidiair een door de rechtbank te bepalen omgangsregeling, alsmede te bepalen dat [minderjarige] in de periode van 8 november 2025 tot maandag 17 november 2025 bij de man verblijft (tijdens de vakantie van de vrouw).
3.2.
De vrouw voert verweer tegen voormeld verzoek en verzoekt om dit verzoek af te wijzen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
3.3.
De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandige verzoeken, naar de rechtbank begrijpt: eveneens als provisionele voorzieningen op grond van artikel 223 Rv Pro:
  • de man te veroordelen tot het betalen van een voorlopige bijdrage betreffende kinderalimentatie ter hoogte van € 214,= per maand;
  • een voorlopige omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft.

4.De standpunten

4.1.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige] in de even weken in het weekend van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zondag 19.00 uur en in de oneven weken van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zaterdag 19.00 uur bij de man verblijft. Deze regeling zijn partijen enige tijd nagekomen en is opgenomen in het concept ouderschapsplan dat partijen hebben opgesteld. Doordat partijen uiteindelijk geen volledige overeenstemming hebben bereikt over het ouderschapsplan, hebben zij dit plan niet ondertekend. Over voormelde verdeling van de even weken zijn partijen het nog steeds eens. Omdat de vrouw graag wil dat [minderjarige] in de weekenden ook bij haar verblijft, is de vrouw voormelde verdeling voor wat betreft de oneven weken echter op een gegeven moment niet meer nagekomen. De vrouw heeft vervolgens weliswaar voorgesteld dat de man en [minderjarige] in plaats daarvan ook op doordeweekse dagen omgang met elkaar kunnen hebben, maar de man vindt dit met het oog op de (reis)afstand tussen de woonplaatsen van partijen niet in het belang van [minderjarige] . Ook is dit voorstel voor de man praktisch niet haalbaar. De man verzoekt nu, bij wijze van provisioneel verzoek, om voormelde regeling waar partijen vanaf september 2025 enige tijd uitvoering aan hebben gegeven, als voorlopige omgangsregeling vast te stellen. De man heeft een (spoedeisend) belang bij dit verzoek, omdat een deel van de door partijen overeengekomen omgangsregeling momenteel door de vrouw niet wordt nagekomen en vanwege het belang dat [minderjarige] snel duidelijkheid, regelmaat en structuur ervaart met betrekking tot de omgang die zij met de man heeft. De man trekt zijn verzoek in voor zover dit ziet op de voormelde periode in november 2025. De man vindt tot slot dat partijen op dit moment geen hulpverlening nodig hebben om alsnog tot een door hen beiden gedragen ouderschapsplan te komen.
4.2.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vrouw heeft ermee ingestemd om de door de man verzochte omgangsregeling te proberen met ingang van september 2025. Op basis van deze regeling verbleef [minderjarige] echter geen volledig weekend bij de vrouw. Als gevolg daarvan konden de vrouw en [minderjarige] vrijwel nooit samen leuke dingen in familieverband ondernemen. Daarbij komt dat de vrouw momenteel zwanger is en zij het van belang vindt dat zij na de geboorte van haar baby ook als gezin gezamenlijk weekenden kunnen doorbrengen. Om die redenen heeft de vrouw na twee weken beslist om de door de man verzochte omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] voor zover het de oneven weken betreft, niet meer na te komen. In plaats daarvan verblijft [minderjarige] sinds medio september 2025 feitelijk om de week in het weekend van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zondag 19.00 uur bij de man. In de overige weekenden en doordeweeks verblijft [minderjarige] bij de vrouw. De vrouw heeft voorgesteld om deze regeling uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] ook op doordeweekse dagen bij de man verblijft. De vrouw begrijpt niet dat de man dit voorstel heeft afgewezen, ook al zal hij zijn werktijden dan moeten aanpassen. De man komt ook niet met een ander voorstel. De vrouw kan niet instemmen met het voorstel van de Raad om de regeling waar partijen momenteel feitelijk uitvoering aan geven uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] ook eenmaal per maand in het weekend van vrijdag tot zaterdag(middag) bij de man verblijft, omdat de vrouw hierdoor wordt beperkt in haar mogelijkheden om op die zaterdag wat te ondernemen. De vrouw kan wel instemmen met een uitbreiding van de regeling waarbij [minderjarige] ook per vier weken van vrijdag uit school tot 20.00 uur bij de man verblijft. Gelet op het voorgaande verzoekt de vrouw om het verzoek van de man af te wijzen.
Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig provisioneel verzoek, om de regeling waar partijen momenteel sinds september 2025 feitelijk uitvoering aan geven als voorlopige omgangsregeling vast te stellen. De vrouw heeft een (spoedeisend) belang bij dit verzoek, omdat de huidige, onzekere situatie bij partijen leidt tot veel stress en voorkomen moet worden dat [minderjarige] hierdoor wordt belast. De vrouw vindt het dan ook van groot belang dat er een duidelijke, structurele voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] wordt bepaald. De vrouw verzoekt tot slot, bij wijze van zelfstandig provisioneel verzoek, om een voorlopige regeling over kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] te bepalen. De vrouw stelt in dat verband dat de man heeft voorgesteld om € 50,= per maand te betalen, maar dat hij ondanks deze toezegging nog geen enkele betaling heeft gedaan.
4.3.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw is de hoofdverzorger en de enige gezagsdragende ouder van [minderjarige] . Beide partijen willen graag samen met [minderjarige] tijd doorbrengen in het weekend. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij zijn vader regelmatig blijft zien. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat de omgangsregeling tussen hem en de man waar partijen momenteel feitelijk uitvoering aan geven, wordt uitgebreid, maar ook dat [minderjarige] in de weekenden tijd kan doorbrengen met de vrouw. De Raad stelt daarom voor om de oneven weken te verdelen in die zin dat [minderjarige] in de ene week in het weekend van vrijdag uit school tot zondagavond bij de man verblijft en in de andere week in het weekend van vrijdag uit school tot zaterdag(middag). Doordat de regeling wat betreft de even weken doorloopt zoals partijen zijn overeengekomen en voormeld voorstel enkel ziet op de oneven weken, zal [minderjarige] dus tweemaal per vier weken van vrijdag uit school tot zondagavond alsmede eenmaal per vier weken van vrijdag uit school tot zaterdag(middag) bij de man verblijven. In het overgebleven weekend verblijft [minderjarige] dan volledig bij de vrouw. Vanwege de (reis)afstand tussen de woonplaatsen van beide ouders, zal de regeling impact hebben op de agenda’s en de mogelijkheden van beide ouders om samen met [minderjarige] dingen te kunnen ondernemen. Maar dit is volgens de Raad nu eenmaal het lot van gescheiden ouders die niet bij elkaar in de buurt wonen. De Raad vindt het tot slot van belang dat partijen alsnog een door hen beiden gedragen ouderschapsplan zullen overeenkomen.

5.beoordeling

Vaststelling voorlopige omgangsregeling
5.1.
Ter zitting heeft mr. Weisz-Hertsworm, namens de man, het verzoek van de man om een provisionele voorziening te treffen tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling in november 2025 (wanneer de vrouw op vakantie is) mondeling ingetrokken, omdat deze periode inmiddels is verstreken. Nu het verzoek van de man voor zover het voormelde periode betreft is ingetrokken, kan de rechtbank het verzoek op dit onderdeel niet meer onderzoeken. De rechtbank zal het verzoek op dit onderdeel dan ook afwijzen. Voor het overige overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
5.3.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van
artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
5.4.
De rechtbank overweegt dat er tussen partijen een bodemprocedure aanhangig is over onder andere de vaststelling van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] .
5.5.
De rechtbank overweegt vervolgens dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
5.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat partijen sinds medio september 2025 feitelijk uitvoering geven aan een omgangsregeling op basis waarvan de man en [minderjarige] eenmaal per veertien dagen in de even weken in het weekend van vrijdag uit school (14.00 uur) tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft. Partijen zijn het hierover eens. De rechtbank gaat er dan ook van uit, en acht het in het belang van [minderjarige] , dat partijen deze regeling zullen blijven nakomen. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat partijen onvoldoende (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoeken om bij wijze van provisionele voorziening een gewijzigde voorlopige omgangsregeling te bepalen. Dat de man en [minderjarige] in september 2025 gedurende een korte tijd (volgens de vrouw gedurende twee weken) ook in de oneven weken in het weekend contact met elkaar hebben gehad en beide partijen uiteenlopende wensen en behoeften hebben over de verdere vormgeving/uitbreiding van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , doet hier niet aan af. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de wensen en behoeften van beide partijen bij de vaststelling van de (definitieve) omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] dienen te worden besproken in de tussen partijen aanhangige bodemzaak. Hiervoor is in deze procedure tot het treffen van provisionele voorzieningen, naar het oordeel van de rechtbank, in ieder geval geen plaats.
5.7.
Ondanks dat de rechtbank partijen en hun advocaten ter zitting in de gelegenheid heeft gesteld om hun standpunten uitgebreid (inhoudelijk) uiteen te zetten en de rechtbank heeft geprobeerd om alsnog een overeenstemming tussen partijen te bereiken, onder andere met een korte onderbreking van de zitting waarbij partijen en hun advocaten in de gelegenheid zijn gesteld om op de gang met elkaar in overleg te gaan en het advies van de Raad daarbij te betrekken, is dit helaas niet gelukt.
5.8.
Nu beide partijen onvoldoende (spoedeisend) belang hebben bij hun vorderingen en een overeenstemming niet mogelijk is gebleken, zal de rechtbank beide partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoeken tot het treffen van een provisionele voorziening tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] (voor zover het niet de periode in november 2025 betreft nu de rechtbank het verzoek op dat punt zal afwijzen, zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen).
Vaststelling voorlopige regeling over kinderalimentatie
5.9.
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat het ingediende zelfstandige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tot vaststelling van een voorlopige regeling betreffende kinderalimentatie niet inhoudelijk ter zitting zal worden behandeld, omdat deze zaak na binnenkomst van het inleidende verzoekschrift, met het oog op het voorliggende verzoek, is gepland bij het cluster jeugdrecht van team Familie- en Jeugdrecht en bij een rechter en een griffier die geen alimentatiezaken behandelen.
5.10.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat een overeenstemming over het door de man periodiek aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] niet mogelijk is.
5.11.
De rechtbank zal daarom dit zelfstandige provisionele verzoek doorsturen naar het cluster familierecht van deze rechtbank. Daar zal dit verzoek verder in behandeling worden genomen. De advocaten van partijen zullen zo spoedig mogelijk bericht ontvangen vanuit de rechtbank over het verdere verloop van deze procedure.
5.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek van de man af voor zover het ziet op het treffen van een provisionele voorziening tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] tijdens de vakantie van de vrouw in november 2025;
6.2.
verklaart de man voor het overige niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] ;
6.3.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar zelfstandige verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] ;
6.4.
verwijst deze zaakvoor wat betreft de inhoudelijke beoordeling en de beslissing op het zelfstandige verzoek van de vrouw tot het treffen van een provisionele voorziening tot vaststelling van een voorlopige regeling over het door de man periodiek aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige]
naar het cluster familierecht van deze rechtbanken houdt de inhoudelijke beoordeling en beslissing op dit verzoek aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.