Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van een BV die in 2023 werd ontbonden. Na beëindiging van zijn dienstbetrekking in 2001 sloot hij een stamrechtovereenkomst waarbij een ontslagvergoeding werd omgezet in een recht op periodieke uitkeringen. De BV had een voorziening voor deze lijfrenteaanspraak op de balans staan tot en met 2015, maar in de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) over 2019 was deze voorziening verdwenen.
De inspecteur legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2019 op omdat hij meende dat sprake was van afkoop of prijsgeving van de lijfrenteaanspraak in 2019, wat tot belastingheffing leidt. Belanghebbende voerde aan dat de afkoop al eerder had plaatsgevonden, onder meer in 2002 of 2015, en dat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte om navordering te rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht over een nieuw feit beschikte, namelijk de aangifte Vpb 2019 waarin de voorziening niet meer was opgenomen. De rechtbank stelde vast dat de afkoop of prijsgeving van de aanspraak in 2019 heeft plaatsgevonden, en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit eerder was gebeurd. De navorderingsaanslag en de belastingrente blijven daarom in stand.
De rechtbank wees ook het bezwaar tegen de revisierente toe, omdat het loonstamrecht geen revisierente verschuldigd maakt. Het beroep werd uiteindelijk ongegrond verklaard en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.