Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3772

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/5170
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over verrekening en beslaglegging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin belanghebbende beroep had ingesteld tegen beslissingen van de ontvanger van de Belastingdienst. De rechtbank verklaarde zich kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, omdat het geschil betrekking had op de verrekening van bedragen en beslaglegging.

Volgens de rechtbank valt de beslissing tot verrekening van bedragen niet onder de uitzonderingen waarbij de belastingrechter bevoegd is om te oordelen. Evenmin staat er beroep open tegen beslaglegging bij de belastingrechter, aangezien dit een civiele kwestie betreft. De rechtbank wees erop dat dergelijke geschillen aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd.

De rechtbank heeft het beroepschrift niet doorgestuurd naar de bevoegde civiele rechter en zag geen aanleiding om griffierecht terug te betalen, aangezien belanghebbende geen griffierecht had voldaan. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd informatie verstrekt over de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst het beroep af, verwijzend naar de civiele rechter.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende ontvangen op 9 oktober 2025.
1.1.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de civiele rechter.
2.1.
Ook tegen beslaglegging staat geen beroep open bij de belastingrechter. Dit is een civiele kwestie die aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De rechtbank heeft het beroepschrift niet doorgestuurd naar de bevoegde rechter. Voor een procedure bij de civiele rechter is, in een aantal gevallen, vertegenwoordiging door een advocaat verplicht.

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verrekening en de beslaglegging. Belanghebbende heeft geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.