ECLI:NL:RBZWB:2026:380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/5047
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:3 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing te nemen op Wajong-bezwaar en legt dwangsom op

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 19 november 2024 waarin een Wajong-uitkering werd geweigerd. Het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna eiseres een ingebrekestelling stuurde en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Hoewel het UWV de termijn had verlengd en een tekort aan verzekeringsartsen als reden gaf, acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een zorgvuldige beslissing te nemen.

De rechtbank wijst verzoeken van eiseres af die buiten het kader van het beroep vallen, zoals het opleggen van een heroverweging door andere deskundigen of het inhoudelijk beslissen op het bezwaar. Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de nieuwe termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000.

De rechtbank stelt vast dat het UWV reeds een dwangsombesluit heeft genomen en daarom zelf de dwangsom vaststelt. Tot slot wordt het griffierecht aan eiseres vergoed omdat het beroep gegrond is verklaard.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden alsnog beslissen op het bezwaar en een dwangsom betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar tegen het besluit van 19 november 2024 over de weigering van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 22 december 2024. Het UWV beslist op dit bezwaar binnen zeventien weken na de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken. [2] Het UWV heeft de termijn verlengd met zes weken. [3] Het UWV had dus uiterlijk op 12 juni 2025 moeten beslissen. Eiseres heeft het UWV op 15 juni 2025 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 17 juni 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 16 oktober 2025 heeft het UWV uitgelegd dat de beslistermijn is overschreden vanwege een tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige heroverweging. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen.
4.4.
Eiseres heeft aan de rechtbank verzocht om de beslissing van 19 november 2024 als niet-ontvankelijk te beschouwen, een hoorzitting voor eiseres te bewerkstelligen, het UWV een heroverweging op te leggen met een andere verzekeringsarts en arbeidsdeskundige en om inhoudelijk te beslissen op het bezwaarschrift. De rechtbank beslist niet op deze verzoeken van eiseres, aangezien eiseres een beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend en deze verzoeken buiten de reikwijdte van een dergelijk beroep vallen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Het UWV heeft op 14 augustus 2025 de maximale dwangsom aan eiseres toegekend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Het UWV heeft op 7 november 2025 het bezwaar van eiseres met betrekking tot de dwangsom ongegrond verklaard. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de dwangsom alsnog vast te stellen, omdat een dwangsom altijd door dient te lopen tot voldaan wordt aan de verplichting om een definitieve beslissing te nemen.
6.1.
Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [4]
6.2.
Omdat het UWV conform artikel 4:17 van Pro de Awb reeds een dwangsombeslissing heeft genomen, zal de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 22 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:3, tweede lid, van de Wajong.
3.Dat dit mag staat in artikel 7:10, derde lid, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.