Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de brief van 30 november 2025 met productie 17 van [partij 2] ,
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, waarvan door de griffiers aantekeningen zijn gemaakt,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten op 18 november 2024 een koopovereenkomst voor een appartement met verhuurde berging. Koper stelde dat partijen een nieuwe afspraak hadden gemaakt dat de berging vrij van huur en gebruik zou worden geleverd, wat verkoper zou zijn nagekomen. De rechtbank stelde vast dat deze wijziging niet was overeengekomen, waardoor verkoper niet toerekenbaar tekortschiet en geen boete verschuldigd is.
Koper nam het appartement niet af op de overeengekomen datum 31 januari 2025, ondanks ingebrekestelling. Verkoper ontbond de overeenkomst en vorderde betaling van de contractuele boete. De rechtbank oordeelde dat koper toerekenbaar tekortschiet en veroordeelde hem tot betaling van een gematigde boete van €5.000, gezien de omstandigheden en het feit dat verkoper het appartement duurder aan een derde had verkocht.
Koper voerde dat het boetebeding nietig was wegens een valse opzeggingsbrief, maar dit verweer faalde. Ook het beroep op voordeelstoerekening werd verworpen omdat het boetebeding geen schadevergoeding is. De proceskosten werden aan koper opgelegd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van koper af en veroordeelt hem tot betaling van een gematigde boete van €5.000 aan verkoper wegens niet-afname van het appartement.