Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg (A58) te Etten-Leur op 14 november 2023. Betrokkene stelde dat er ten onrechte geen staandehouding had plaatsgevonden en dat er bewijsnood was omdat niet kon worden opgevraagd welke stopmiddelen het dienstvoertuig van de verbalisant had.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De stelling van betrokkene gaf geen aanleiding tot twijfel. Het vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden is verboden en valt onder het risico van de bestuurder.
De kantonrechter stelde vast dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was omdat de verbalisant in een onopvallend dienstvoertuig zonder stopmiddelen reed. Daarom is de boete terecht aan de kentekenhouder opgelegd.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Ook werd een proceskostenvergoeding van €233,50 toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete wordt met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.