Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg (A4/A58) te Bergen op Zoom op 27 februari 2024. Betrokkene stelde dat niet hij, maar de bijrijder het apparaat vasthield en dat er geen sprake was van vasthouden zoals bedoeld in artikel 61a RVV.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De stelling van betrokkene gaf geen aanleiding tot twijfel. Het vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden is verboden en valt onder het risico van de bestuurder.
De procedure duurde langer dan de redelijke termijn van twee jaar, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast was er sprake van schending van de hoorplicht omdat betrokkene en zijn gemachtigde niet konden reageren op aanvullende stukken bij de officier van justitie, wat een extra matiging van 25% rechtvaardigde.
De boete werd derhalve gematigd tot € 213,75 plus administratiekosten. Betrokkene kreeg een proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend voor de fase waarin de redelijke termijn was overschreden. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: De boete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden is gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn en schending van de hoorplicht.