ECLI:NL:RBZWB:2026:3957

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/02/445813 / FA RK 26-1220
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en regie bij casusregisseur in omgangszaak minderjarige

De man en vrouw, ouders van een minderjarige, zijn in geschil over de voorlopige zorgregeling en omgang met het kind. De man verzoekt een ruime omgangsregeling met overnachtingen, terwijl de vrouw dit afwijst en verwijst naar het Uniform Hulpaanbod. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert voortzetting van de hulpverlening en inzet van een casusregisseur.

De rechtbank weegt het spoedeisend belang van partijen en constateert dat de omgangsregeling in het belang van het kind zo spoedig mogelijk ruim moet worden vormgegeven. De man heeft een verleden van verslaving, maar is sinds juni 2023 clean. De vrouw heeft zorgen over het herstel en de omgang, mede door eerdere beschuldigingen die niet bewezen zijn.

Partijen stemmen in met het voorstel van de Raad om de reeds ingezette hulpverlening voort te zetten en een casusregisseur aan te stellen die de regie over de zorgregeling krijgt. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en bepaalt dat de regie over de zorgregeling bij de casusregisseur ligt. De bodemprocedure wordt aangehouden tot 1 september 2026 voor een update over de hulpverlening en standpunten van partijen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en legt de regie over de zorgregeling bij een casusregisseur.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/445813 / FA RK 26-1220
datum uitspraak: 30 april 2026
beschikking betreffende een provisionele voorziening
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.J.C. Nuijten te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat: M.J.E.M. Edelmann te Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 24 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 12 maart 2026 ontvangen verweerschrift;
- het op 7 april 2026 door mr. Nuijten ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het op 9 april 2026 door mr. Nuijten ingediende F9-formulier met bijlagen;
- het op 9 april 2026 door mr. Edelmann ingediende F9-formulier;
- het op 9 april 2026 door mr. Nuijten ingediende F9-formulier.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 10 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en zijn advocaat. Ook zijn via Teams verschenen de vrouw en haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt bij wege van provisionele voorziening te bepalen dat, voor de duur van het geding, tussen [minderjarige] en de man de volgende voorlopige zorgregeling zal gelden:
In de eerste vier weken:
* op maandag na schooltijd van 14:00 uur tot en met 17:00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] op school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
* op woensdag na schooltijd van 14:00 uur tot en met 19:00 uur na het avondeten zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] op school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
* eenmaal in de 14 dagen van vrijdagmiddag na schooltijd 14:00 uur tot en met zaterdagavond 19:00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] van school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
Na vier weken:
* op maandag na schooltijd van 14:00 uur tot en met 17:00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] op school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
* op woensdag na schooltijd van 14:00 uur tot en met 19:00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] op school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
* eenmaal in de 14 dagen van vrijdagmiddag na schooltijd 14:00 uur tot en met zondagavond 17:30 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] van school ophaalt en haar daarna weer naar de vrouw brengt;
dan wel een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, welke de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren gedurende een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen tijd en - zo nodig - onder de door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorwaarden en te bepalen dat partijen dienen mee te werken aan het Uniform Hulpaanbod dan wel - in het uiterste geval - de Raad voor de Kinderbescherming alvast opdracht te geven tot het doen van nader onderzoek,
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de zijde van de vrouw van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de vrouw niet haar medewerking verleent aan de uitvoering van de zorgregeling tot een maximum van € 50,000,00, kosten rechtens.
3.2
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw te bepalen dat partijen worden verwezen naar het Uniform Hulpaanbod.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.
4.4
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.5
Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen, gelet op de stukken en dat wat is besproken op de mondelinge behandeling, voldoende spoedeisend belang bij hun verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening.
4.6
Door en namens de man is naar voren gebracht dat de man een cocaïne- en cannabisverslaving heeft gehad. Partijen zijn uiteindelijk uit elkaar gegaan, waarna de man veel gebruikt heeft en hij zijn ouderrol heeft laten liggen. Begin maart 2023 heeft hij hulp gezocht en is hij gestopt met cocaïnegebruik. Sinds juni 2023 is hij clean. Echter heeft de vrouw niet het vertrouwen dat de man zijn vaderrol op kan pakken en neemt ze eenzijdig beslissingen over [minderjarige] . Op het moment dat de man één jaar clean was, werd de omgang uitgebreid in die zin dat de man samen met [minderjarige] naar peutergym ging. De omgangsregeling is steeds verder uitgebreid, naar een regeling waarbij de man [minderjarige] iedere dinsdag vanaf 7:30 uur tot aan het einde van de dag (17:00 uur) zag, alsmede iedere zaterdag vanaf 7:30 uur tot aan het einde van de dag (17:00 uur). Omdat [minderjarige] sinds 6 mei 2025 naar school gaat, gaf de vrouw aan dat de man [minderjarige] alleen mag zien op maandag na school van 14:00 uur tot 17:00 uur en op woendag na school van 14:00 uur tot 17:00 uur. De man was het hier niet mee eens, waarop de ouders naar een mediator zijn gegaan. Hier is afgesproken dat de man [minderjarige] (in ieder geval) op maandagmiddag van 14:00 uur tot 17:00 uur bij zich zal hebben, alsmede op woensdagmiddag van 14:00 uur tot 19:00 uur, waarbij [minderjarige] op woensdagavond na het eten door de man wordt teruggebracht naar de vrouw. Op 24 oktober werd de man door de vrouw tijdens een mediationgesprek onterecht beschuldigd van seksueel misbruik van [minderjarige] . De man is hier zo ziek van geweest en heeft de omgang die maandag daarop dan ook afgezegd. Die woensdag wilde hij haar wel weer zien, maar toen had de vrouw al andere plannen. Het omgangsmoment hierna was [minderjarige] ziek en daarna heeft de vrouw de omgang helemaal stopgezet. Op 18 november heeft er een gesprek plaatsgevonden met de ouders en twee jeugdconsulenten van de gemeente Tholen. De vrouw wilde geen omgang zolang het onderzoek van de politie naar het seksueel misbruik loopt. Echter heeft de politie op 11 december aangegeven dat er geen bewijs was gevonden van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de man en werd het onderzoek afgesloten. De omgang tussen de man en [minderjarige] is op advies van Veilig Thuis van 14 januari 2026 tot 28 januari 2026 opgebouwd. Daarna is de omgang weer hervat zoals die was. De man wil echter graag dat [minderjarige] ook bij hem overnacht, maar de vrouw wil hier niet aan meewerken. De man maakt zich zorgen over de omgang tussen hem en [minderjarige] , omdat in de afgelopen periode is gebleken dat de vrouw de wil van [minderjarige] leidend acht en dat ze afspraken niet nakomt. Ook meldt de vrouw [minderjarige] ziek, maar dit is naar de mening van de man geen reden dat [minderjarige] niet naar hem toe kan komen. [minderjarige] kan bij de man namelijk ook uitzieken. Het is in het belang van [minderjarige] dat er zo spoedig mogelijk sprake is van een ruime zorgregeling tussen haar en de man. De man staat open voor een traject binnen het Uniform Hulpaanbod, waarbij [hulpverlening 1] regie zal voeren (ten aanzien van de uitbreiding), zodat partijen een stok achter de deur hebben.
4.7
Door en namens de vrouw is naar voren gebracht dat de vrouw sinds het uit elkaar gaan van partijen alle verantwoordelijkheid voor [minderjarige] heeft genomen. De man was op momenten niet aanspreekbaar, dus heeft ze zelfstandig beslissingen over [minderjarige] genomen. De vrouw kon er hiernaast niet vanuit gaan dat er geen middelen meer werden gebruikt op het moment dat de man dit zei. Eind augustus vertelde [minderjarige] over uitspraken met betrekking tot seksueel misbruik die de man zou hebben gedaan, waarop de vrouw aangifte heeft gedaan. De waarheid kon niet worden vastgesteld en het onderzoek is gesloten. Veilig Thuis heeft contactherstel geadviseerd, maar volgens de man gaat dit niet snel genoeg. Inmiddels hebben partijen een gesprek gehad bij de gemeente Tholen met Veilig Thuis en zijn ze aangemeld bij [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] voor hulpverlening. De eerste afspraak met de kindbehartiger was op 1 april 2026. Deze hulpverlening is niet voor niets ingezet en de vrouw wil de opbouw van de zorgregeling dan ook in overleg met de hulpverlening vormgeven. De uitvoering kan dan worden gemonitord en dit zal haar rust geven. De man beweert dat er niets meer met hem aan de hand is, maar hij laat dit niet zien. Hierbij heeft de vrouw alleen de ervaringen uit het verleden. De verslaving van de man en zijn herstel hebben gevolgen gehad voor de vrouw en [minderjarige] en niet alles is weer goed nu hij clean is. Echter werkt de vrouw overal aan mee, omdat ze [minderjarige] een fijn contact met de man gunt. De vrouw vreest dat de man de hulpverlening stopzet als het hem niet snel genoeg gaat. De vrouw staat dan ook open voor een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod, waarbij de hulpverlening de regie heeft over de duur, de wijze en frequentie van de zorgregeling.
4.8
Door de Raad is naar voren gebracht dat het goed is dat er inmiddels hulpverlening betrokken is. Hiernaast is het nodig dat er een casusregisseur betrokken wordt. Dit kunnen de ouders zelf aanvragen bij de gemeente Tholen. Op het moment dat er een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod plaatsvindt, zal deze zaak op een wachtlijst komen te staan. Dit zal het proces alleen maar vertragen. Op het moment dat de reeds ingezette hulpverlening wordt gecontinueerd en de ouders zelf een casusregisseur aanvragen bij de gemeente, wordt er, als het spaak loopt, een jeugdbeschermingstafel georganiseerd en dan neemt de Raad deze casus in onderzoek. Deze weg is het meest passend en het snelst. De Raad zal contact opnemen met de gemeente Tholen, de gemeente informeren over deze zaak en laten weten dat de inzet van een casusregisseur noodzakelijk is.
4.9
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen zich kunnen vinden in het voorstel van de Raad. Ze hebben dan ook de volgende afspraken gemaakt:
- de reeds ingezette hulpverlening wordt gecontinueerd;
- de vrouw wendt zich tot de gemeente Tholen, vraagt een casusregisseur aan en betrekt de man hierbij;
- de regie over (een eventuele uitbreiding van) de zorgregeling komt bij de casusregisseur te liggen;
- de ouders geven toestemming aan de Raad om contact op te nemen met de gemeente Tholen over deze zaak; de Raad zal toelichten dat hij een casusregisseur in deze zaak noodzakelijk acht en dat, als het traject vastloopt, de casusregisseur dit kan melden bij de Raad op het gesprek aan de Jeugdbeschermingstafel.
4.1
De rechtbank onderschrijft de gemaakte afspraken. Zij zal bepalen dat de regie over (een eventuele wijziging van) de nu lopende zorgregeling tussen de man en [minderjarige] in handen ligt van de casusregisseur overeenkomstig deze afspraak tussen partijen, en zal het meer of anders verzochte afwijzen. De bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/445811 / FA RK 26-1218 zal worden aangehouden tot 1 september 2026 PRO FORMA in afwachting van een update van partijen over het verloop van de hulpverlening en in afwachting van het standpunt van partijen ten aanzien van het al dan niet handhaven van de verzoeken.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de regie over (een eventuele wijziging van) de nu lopende zorgregeling tussen de man en [minderjarige] in handen ligt van de casusregisseur;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.