ECLI:NL:RBZWB:2026:398

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8413
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 27 Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen inhouding loonbelasting niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonbelasting over de jaren 2019 tot en met 2021 door verschillende inhoudingsplichtigen. De inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van zes weken waren ingediend.

De rechtbank bevestigt dat de bezwaren te laat zijn ingediend en dat belanghebbende geen verontschuldigbare reden heeft gegeven voor de termijnoverschrijding, ondanks herhaalde verzoeken. De inspecteur had belanghebbende niet de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over de termijnoverschrijding, maar dit leidt niet tot een ander oordeel.

Daarnaast verklaart de rechtbank zich onbevoegd voor zover de beroepen zien op ambtshalve beslissingen van de inspecteur, omdat deze niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren wegens termijnoverschrijding zijn ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8413 tot en met BRE 24/8418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Spanje), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 25 november 2024. De beroepen zien op de inhouding loonbelasting door het [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] met [aanslagnummer 1] (bij loontijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bij [bedrijf 1] ), [aanslagnummer 2] (bij loontijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 bij [bedrijf 1] ), [aanslagnummer 3] (bij loontijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 bij [bedrijf 1] ), [aanslagnummer 4] (bij loontijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 bij [bedrijf 2] ), [aanslagnummer 5] (bij loontijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 bij [bedrijf 2] ) en [aanslagnummer 6] (bij loontijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 bij [bedrijf 2] ).
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de van de voldoening, de inhouding of de afdracht.
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [2]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [3]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 juli 2024 bezwaar ingediend tegen de ingehouden loonheffing over de jaren 2019 tot en met 2021 van zowel [bedrijf 2] als het [bedrijf 1] als inhoudingsplichtige. De inhoudingsplichtige houdt belasting in op het tijdstip dat belanghebbende het loon geniet. [4] Het bezwaarschrift is ruim buiten de loontijdvakken ingediend, waardoor belanghebbende te laat is met het indienen van het bezwaar.
4.1.
De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 9 april 2025 gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding in de bezwaarfase. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 14 mei 2025 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een reden te geven voorde termijnoverschrijding. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 15 mei 2025 om 11:16 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Belanghebbende heeft hier niet op gereageerd.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Zijn er nog andere omstandigheden die aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan?
6. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende door de inspecteur niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de reden dat het bezwaar is ingediend. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om dat wel te doen. Voorgaande kan echter niet afdoen aan de conclusie dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. [5] Dit leidt dus niet tot een ander oordeel.
De rechtbank is onbevoegd te oordelen over de ambtshalve beoordeling
7. In dezelfde brief waarbij uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft de inspecteur ook beslist om ambtshalve niet aan de bezwaren tegemoet te komen. De rechtbank begrijpt uit de correspondentie met belanghebbende dat de beroepen ook op deze beslissingen zien. Deze beslissingen zijn echter niet voor (bezwaar en) beroep vatbaar. De rechtbank verklaart zich in zoverre kennelijk onbevoegd.

Conclusie en gevolgen

8. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover de beroepen zich richten tegen ambtshalve beslissingen van de inspecteur.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.Dit staat in artikel 27 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964.
5.Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595.