Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
25/4838
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep naheffingsaanslag omzetbelasting

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij opgelegde boete. Dit beroep is ingetrokken nadat de inspecteur het besluit op 8 januari 2026 heeft herzien en de boete heeft verminderd tot nihil. Belanghebbende verzocht vervolgens om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek, maar er is geen reactie ontvangen. De rechtbank beoordeelt dat hoewel de inspecteur aan het beroep tegemoet is gekomen door de boete te verminderen, dit niet automatisch leidt tot een proceskostenveroordeling.

De rechtbank overweegt dat het beroepschrift niet is ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en dat er geen bewijs is geleverd van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoeken om vergoeding van verletkosten, internationale telefoonkosten, postzegels, printkosten en enveloppen worden afgewezen. Wel wijst de rechtbank erop dat de inspecteur verplicht is het betaalde griffierecht te vergoeden, hetgeen de inspecteur ook heeft toegezegd.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen ondanks vermindering boete door inspecteur.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4838

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de inspecteur van 22 augustus 2025. Zij heeft het beroep betreffende de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag omzetbelasting met [aanslagnummer] .F.02.5210. ingetrokken omdat de inspecteur dit besluit op 8 januari 2026 heeft herzien.
1.1.
De rechtbank heeft de inspecteur in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De inspecteur heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de inspecteur aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 22 september 2025 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. De inspecteur heeft op 8 januari 2026 medegedeeld dat de boete is verminderd tot nihil. Hiermee is de inspecteur tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Moet de inspecteur de proceskosten van belanghebbende vergoeden?
5. De inspecteur is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van belanghebbende, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5.1.
Het verzoek om vergoeding van € 122,- aan verletkosten wordt afgewezen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld een verzoek om vergoeding van verschotten (het internationale telefoongesprek) te doen, wordt dit verzoek ook afgewezen. Belanghebbende heeft deze kosten niet met bewijsstukken onderbouwd en ook is niet duidelijk of zij deze kosten in verband met de procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Het verzoek om vergoeding van de postzegels, printkosten en enveloppen wordt eveneens afgewezen. Kosten voor binnenlandse post en kantoorkosten vallen niet onder kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de inspecteur verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. [3] De inspecteur heeft dat ook toegezegd. Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de inspecteur wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 11 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.