Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1082
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:55c AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt overschrijding beslistermijn kinderopvangtoeslag en legt dwangsom op

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op dit bezwaar beslist, ondanks een ingebrekestelling van eiseres. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn uiterlijk op 1 april 2025 was verstreken en dat verweerder nog geen besluit heeft genomen.

De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt. In dit geval betekent dit dat verweerder uiterlijk op 26 mei 2026 een besluit moet nemen. Omdat verweerder niet tijdig heeft beslist, legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

Verder stelt de rechtbank de reeds door verweerder vastgestelde bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- vast. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om verweerder te veroordelen tot betaling van de dwangsom. Tot slot veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en stelt een termijn tot 26 mei 2026 voor het nemen van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1082

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 13 december 2024 tegen de integrale herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013 van 26 november 2024 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op
13 december 2024 en het is op 16 december 2024 door verweerder ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. [2] Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.
3.1.
Op het moment dat verweerder gebruik maakt van de adviescommissie, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift wordt niet duidelijk of gebruik wordt gemaakt van de adviescommissie. De rechtbank zal daarom uitgaan van een beslistermijn van zes weken.
3.2.
Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus in ieder geval uiterlijk op 1 april 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 24 juni 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 25 juni 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. [3]
4.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 1 april 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 26 mei 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Bezwaarschriften kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. [4] De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift dat verweerder van oordeel is dat er sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank overweegt hierbij dat het bezwaarschrift van 13 december 2024 is gericht tegen het besluit van 26 november 2024 inzake de jaren 2009 tot en met 2013. Het bezwaar waarover verweerder van oordeel is dat het ermee samenhangt, is gericht tegen een ander besluit over andere jaren. Namelijk tegen het besluit van 3 september 2024 inzake de jaren 2005 tot en met 2008, 2014 en 2015. Nu de besluitvorming over de compensatie over alle jaren niet (nagenoeg) gelijktijdig bekend is gemaakt, maar over verschillende jaren beslist is met de afzonderlijke besluiten van 3 september 2024 en 26 november 2024, was eiseres genoodzaakt om afzonderlijke bezwaarschriften in te dienen. Dit betekent dat er geen sprake is van voldoende samenhangen en de rechtbank voor elk te nemen besluit een aparte rechterlijke dwangsom oplegt.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
6. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [5]
6.1.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld, omdat hij van mening is dat hij eiseres geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd, omdat eiseres eerder op grond van dezelfde regeling een toewijzende dwangsombeschikking van 28 augustus 2025 heeft ontvangen en het volgens verweerder gaat om samenhangende zaken. De rechtbank overweegt dat er geen samenhang wordt aangenomen. De rechtbank stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb de bestuurlijke dwangsom nu alsnog vast.
6.2.
Uit de stukken blijkt dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,- .
Veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van de bestuurlijke dwangsom?
7. Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom. Artikel 8:55c van de Awb geeft slechts de bevoegdheid tot vaststelling van de bestuurlijke dwangsom. Deze bevoegdheid bevat niet de mogelijkheid om het bestuursorgaan te veroordelen tot betaling ervan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door verweerder al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 6.2. berekend.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk op 26 mei 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
  • verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep ziet op het veroordelen van verweerder tot betaling van de verbeurde bestuurlijke dwangsom;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 8 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 van Pro de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van Pro de Awb.
4.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder rechtsoverweging 5.1.
5.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.