Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op dit bezwaar beslist, ondanks een ingebrekestelling van eiseres. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn uiterlijk op 1 april 2025 was verstreken en dat verweerder nog geen besluit heeft genomen.
De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt. In dit geval betekent dit dat verweerder uiterlijk op 26 mei 2026 een besluit moet nemen. Omdat verweerder niet tijdig heeft beslist, legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Verder stelt de rechtbank de reeds door verweerder vastgestelde bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- vast. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om verweerder te veroordelen tot betaling van de dwangsom. Tot slot veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.