Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 7.7 lid 1 sub a Verordening op de advocatuurArt. 7.5 Verordening op de advocatuurGedragsregel 16 Gedragsregels advocatuur
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoeker, die in een strafzaak is vrijgesproken, diende een verzoek in op grond van artikel 530 SvPro tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Hij vorderde een bedrag van €2.586,11 plus een forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift. De advocaat van verzoeker had met hem afgesproken dat hij op betalende basis zou worden bijgestaan, terwijl in twee gelijktijdige zaken toevoeging was aangevraagd. De advocaat verklaarde dat bij een veroordeling de kosten onder zijn bedrijfsrisico zouden vallen, wat neerkomt op een no-cure-no-pay-afspraak.
De rechtbank oordeelde dat een dergelijke afspraak verboden is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur. Daarnaast ontbraken schriftelijke opdrachtbevestigingen, waardoor niet kon worden vastgesteld welke afspraken over het honorarium waren gemaakt. Ook was onduidelijk of en waarom verzoeker bewust had afgezien van gefinancierde rechtsbijstand, terwijl de advocaat volgens gedragsregel 18 verplicht is dit schriftelijk vast te leggen.
Gezien deze omstandigheden achtte de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen. Het verzoek tot vergoeding van kosten en de forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift werden daarom afgewezen. De beslissing werd genomen door rechter J.C.A.M. Los op 12 mei 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand wordt afgewezen wegens een verboden no-cure-no-pay-afspraak en het ontbreken van schriftelijke afspraken.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-184198-25
rk-nummer: 26-004330
Beslissing op het verzoek ex artikel 530 SvPro van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J.P.M. Mooren, Postbus 902 te 5000 AX Tilburg.
1.De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 10 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 vanPro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.586,11, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 november 2025 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 28 april 2026 heeft het onderzoek in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en de gemachtigd advocaat van verzoeker, mr. G.J.P.M. Mooren, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Standpunt verzoeker:
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geëindigd met een vrijspraak. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om hem hiervoor een bedrag ter hoogte van € 2.586,11 toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
Ook is afgesproken dat de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat zouden vallen als verzoeker toch zou worden veroordeeld. Hij heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt van de afspraken en er is geen voorschot in rekening gebracht, omdat de advocaat op basis van vertrouwen werkt. Ook dat valt onder zijn bedrijfsrisico. Desgevraagd heeft de advocaat ontkend dat er is afgesproken dat bij een veroordeling een toevoeging zou worden aangevraagd: deze afspraak is niet toelaatbaar, aldus de advocaat.
Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft de advocaat verklaard dat verzoeker in drie zaken met drie verschillende parketnummers werd vervolgd. Hij heeft met verzoeker afgesproken dat hij hem in onderhavige zaak op betalende basis zou bijstaan en in de twee gelijktijdig behandelde zaken op toevoegingsbasis. De reden daarvoor was dat de advocaat inschatte dat in onderhavige zaak een vrijspraak zou volgen. Bij een toevoeging is de vergoeding maar beperkt. De verdediging heeft op de inhoudelijke zitting de rechtbank verzocht onderhavige zaak niet te voegen (of af te splitsen) indien verdachte in die zaak zou worden vrijgesproken. De reden daarvoor was dat dan een verzoek ex artikel 530 SvPro kon worden gedaan. De rechtbank heeft dat verzoek gehonoreerd: de rechtbank heeft onderhavige zaak afgesplitst en verdachte daarin vrijgesproken. In de twee andere, gelijktijdig behandelde zaken is verdachte veroordeeld. De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat er relatief weinig uren zijn besteed aan onderhavige zaak die op een zitting van de meervoudige kamer stond gepland. De zaak is gelijktijdig met de twee andere zaken behandeld, maar de uren zijn per zaak en naar verhouding opgesplitst. Dit geldt ook voor de reistijd, de zitting en de bespreking met verzoeker. Er heeft ook nog jurisprudentieonderzoek plaatsgevonden. De advocaat kan momenteel niet achterhalen hoeveel uur hij in totaal aan de drie zaken heeft besteed. De uren in onderhavige zaak zijn redelijk. De werkzaamheden na de vrijspraak zien op het vonnis. De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging van de afspraak. Er heeft ook geen aanbetaling plaatsgevonden. Als verzoeker in onderhavige zaak wel zou worden veroordeeld, zouden de kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat de in rekening gebrachte uren bovenmatig zijn, nu de zaak gelijktijdig is behandeld met zaken waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het gaat daarbij om de zaken met parketnummers 02-131066-25 en 02-239444-25.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt.
2.De beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 SvPro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 SvPro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Verboden “no-cure-no-pay”-afspraak
Verzoeker had recht op gefinancierde rechtsbijstand. Desondanks is in onderhavige zaak geen toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar is afgesproken dat de advocaat verzoeker op betalende basis zou bijstaan, omdat - zo begrijpt de rechtbank - de vergoeding voor de advocaat bij een toevoeging beperkt is. Als de zaak tegen verzoeker niet in een sepot of vrijspraak zou eindigen, zouden de in beginsel voor rekening van verzoeker komende kosten onder het bedrijfsrisico van de advocaat vallen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer desgevraagd bevestigd dat hij verzoeker geen rekening zou hebben gestuurd als verzoeker niet zou zijn vrijgesproken. De rechtbank kan die afspraak niet anders begrijpen dan als een “no-cure-no-pay”-afspraak. Een dergelijke honorariumafspraak is op grond van artikel 7.7 lid 1 sub a van de Verordening op de advocatuur (Voda) niet toegestaan. De in lid 2 van dat artikel genoemde uitzonderingen doen zich in deze zaak niet voor.
Geen opdrachtbevestiging
Als uitgangspunt geldt dat een advocaat gehouden is een aan hem verleende opdracht en de daarvoor geldende (financiële) voorwaarden schriftelijk aan de cliënt te bevestigen. Zo bepaalt gedragsregel 16 lid 1 van de Gedragsregels advocatuur (hierna ook: de gedragsregels) dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte moet brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Gedragsregel 17 bepaalt onder meer dat een advocaat er zorg voor draagt dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten, en de wijze van declareren. Artikel 7.5 van de Verordening op de advocatuur (Voda) bepaalt dat een advocaat zijn cliënt informeert over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit. In de tuchtrechtspraak wordt het belang van een schriftelijke opdrachtbevestiging keer op keer onderstreept.
De advocaat heeft geen opdrachtbevestiging opgemaakt. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen welke afspraken, onder meer over het honorarium, tussen verzoeker en de advocaat zijn gemaakt.
Mogelijkheid gefinancierde rechtshulp niet benut
Gedragsregel 18 legt op een advocaat de verantwoordelijkheid om - vóór aanvaarding van de opdracht (maar ook tussentijds als daar aanleiding toe bestaat) - te onderzoeken of zijn cliënt in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp. De advocaat heeft de verplichting een cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Als een cliënt mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp maar daarvan afziet, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.
De advocaat heeft ter zitting verklaard dat het een bewuste keuze was om verzoeker betalend bij te staan, ondanks dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. De schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt echter, zodat de rechtbank niet kan vaststellen óf - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van een toevoeging.
Conclusie
Samenvattend is sprake van een verboden “no-cure-no-pay”-afspraak, zijn de tussen verzoeker en zijn advocaat gemaakte afspraken niet schriftelijk vastgelegd - en dus niet controleerbaar - en is het onduidelijk gebleven dat - en waarom - verzoeker bewust heeft afgezien van het aanvragen van gefinancierde rechtsbijstand.
Tegen die achtergrond acht de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen. De rechtbank zal het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand dan ook afwijzen.
Het verzoek tot toekennen van een vergoeding zal worden afgewezen. De rechtbank wijst alleen al om die reden ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer af.
3. De beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 12 mei 2026 genomen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 12 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.