Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Voorwaarden
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft een verzoek ingediend voor de verhuisboedelvrijstelling BPM bij registratie van zijn auto in Nederland. Deze vrijstelling werd verleend met de voorwaarde dat de auto niet binnen twaalf maanden na de ingangsdatum mocht worden verkocht.
Belanghebbende verkocht de auto echter binnen deze termijn, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag BPM en belastingrente oplegde. Belanghebbende voerde aan dat hij de voorwaarden was vergeten en beriep zich op het evenredigheidsbeginsel, stellende dat de naheffing en rente te hoog waren gezien de korte termijn overschrijding.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de wettelijke voorwaarden niet zijn nageleefd. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de nadelige gevolgen van de termijn onevenredig zijn. De naheffing en rente zijn geen boete en de rechtbank kan de hoogte daarvan niet toetsen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens op 12 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM en belastingrente wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.