ECLI:NL:RBZWB:2026:4047

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/1607
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 1 Wet BPMArt. 4 lid 1 Uitvoeringsbesluit BPMArt. 3 Verordening (EG) nr. 1186/2009Art. 8 Verordening (EG) nr. 1186/2009Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM wegens verkoop auto binnen jaar na verhuisboedelvrijstelling

Belanghebbende heeft een verzoek ingediend voor de verhuisboedelvrijstelling BPM bij registratie van zijn auto in Nederland. Deze vrijstelling werd verleend met de voorwaarde dat de auto niet binnen twaalf maanden na de ingangsdatum mocht worden verkocht.

Belanghebbende verkocht de auto echter binnen deze termijn, waarna de inspecteur een naheffingsaanslag BPM en belastingrente oplegde. Belanghebbende voerde aan dat hij de voorwaarden was vergeten en beriep zich op het evenredigheidsbeginsel, stellende dat de naheffing en rente te hoog waren gezien de korte termijn overschrijding.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de wettelijke voorwaarden niet zijn nageleefd. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de nadelige gevolgen van de termijn onevenredig zijn. De naheffing en rente zijn geen boete en de rechtbank kan de hoogte daarvan niet toetsen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens op 12 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM en belastingrente wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1607

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.914 (de naheffingsaanslag). Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 207 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of de inspecteur terecht en tot een juist bedrag belastingrente in rekening heeft gebracht. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd. Dit geldt ook voor de in rekening gebrachte belastingrente. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft met het oog op de registratie van zijn auto in Nederland in het kentekenregister op 29 juni 2021 een verzoek gedaan om de toepassing van de vrijstelling van Bpm bij verhuizing binnen de EU (de verhuisboedelvrijstelling). [1]
4.1.
Per brief met dagtekening 6 juli 2021 is de verhuisboedelvrijstelling aan belanghebbende verleend met ingangsdatum 6 juli 2021. Hierin staat, voor zover thans van belang, het volgende:

Voorwaarden
U mag het motorrijtuig tot één jaar na de ingangsdatum van deze vrijstelling niet uitlenen, verpanden, verhuren of overdragen. Wilt u dat toch doen, geef dit dan direct door aan de Belastingdienst. U moet dan alsnog bpm betalen.

Let op!

Als u niet voldoet aan deze voorwaarden, moet u alsnog bpm betalen. Ook kan er een boete worden opgelegd.
4.2.
Belanghebbende heeft op 27 mei 2022 de auto verkocht.
4.3.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd en belastingrente in rekening gebracht omdat de auto binnen een jaar na het verlenen van de verhuisboedelvrijstelling is verkocht.

Motivering

Wettelijk kader
4.4.
De verhuisboedelvrijstelling wordt verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s indien ter zake van het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat, of zou bestaan indien de vervoermiddelen uit een ander land dan een lidstaat van de Europese Unie in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.
4.5.
Een voorwaarde voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling is dat de auto niet mag worden verkocht binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte is aanvaard (en de verhuisboedelvrijstelling dus is verleend) door de inspecteur. [2]
Standpunten van partijen
4.6.
Belanghebbende stelt in de kern dat de wettelijke bepalingen waarop de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gebaseerd zijn, buiten toepassing moeten blijven in verband met het evenredigheidsbeginsel. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat hij de voorwaarden van de vrijstelling was vergeten in verband met persoonlijke omstandigheden. Als hij daar wel aan had gedacht, dan had hij de auto nooit al op 27 mei 2022 verkocht, maar enkele weken later. Hij vindt het onredelijk dat hij voor deze vergissing nu zo’n hoog bedrag aan Bpm en belastingrente moet betalen, zeker gelet op de omstandigheid dat de auto slechts enkele weken te vroeg is verkocht. Als de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking niet kunnen worden vernietigd, dan moeten deze naar rato worden verminderd omdat de auto kort voor het verstrijken van de twaalfmaandstermijn is verkocht.
4.7.
De inspecteur stelt dat in strijd met de voorwaarden is gehandeld en dat de naheffingsaanslag en de belastingrente in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zijn opgelegd en in rekening gebracht. Verder wijst de inspecteur erop dat belanghebbende middels de afgegeven vergunning op de hoogte is gesteld van de voorwaarden van de vrijstelling alsmede de gevolgen indien niet aan de voorwaarden zou zijn voldaan.
Beoordeling
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat belanghebbende de auto heeft verkocht binnen een periode van twaalf maanden nadat de inspecteur de aangifte van belanghebbende heeft aanvaard. Hiermee heeft hij niet voldaan aan de gestelde voorwaarde voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling zoals opgenomen in artikel 14 van Pro de Wet BPM en artikel 8 van Pro de Verordening.
4.9.
Voor zover belanghebbende met zijn toelichting ter zitting heeft willen aangeven dat hem geen verwijt treft, overweegt de rechtbank dat het opleggen van de naheffingsaanslag en de belastingrente niet is aan te merken als het opleggen van een boete. De verhuisboedelvrijstelling is een uitzondering op de hoofdregel dat Bpm moet worden betaald. Als niet langer aan de voorwaarden voor die vrijstelling wordt voldaan, is belanghebbende alsnog de Bpm verschuldigd. Omdat de Bpm dan pas op een later tijdstip wordt voldaan, is daarover belastingrente verschuldigd. In zoverre is een toetsing aan de in de artikelen 6 en 7 van het EVRM en de artikelen 48 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen regels over boeten niet aan de orde. [3] De rechtbank kan dan ook niet beoordelen of de hoogte van de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in het geval van belanghebbende passend en geboden is.
4.10.
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. De wetgever heeft als voorwaarde voor de verhuisboedelvrijstelling gesteld dat de motorrijtuigen na de verhuizing een bepaalde periode in het bezit moeten zijn van degene die zijn verblijfplaats naar Nederland overbrengt. De wetgever heeft daarbij in het Uitvoeringsbesluit aansluiting gezocht bij de voorwaarden van de Verordening. Zo al getoetst zou kunnen worden aan het evenredigheidsbeginsel, dan heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank met alles wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van de voorwaarde van de termijn van twaalf maanden onevenredig is in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag en de belastingrente tot juiste bedragen zijn opgelegd en in rekening zijn gebracht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 mei 2026.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 14, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (de Wet Bpm) in samenhang gelezen met artikel 4, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (het Uitvoeringsbesluit) en artikel 3 van Pro Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (de Verordening).
2.Artikel 8 van Pro de Verordening.
3.Vgl. Hoge Raad 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, r.o. 6.4.