ECLI:NL:RBZWB:2026:4141

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1573
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op Woo-verzoek

Eiser heeft op 20 december 2025 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college heeft de beslistermijn bij brief van 20 januari 2026 verlengd tot 4 februari 2026 en heeft op die datum een besluit genomen.

Eiser stelde dat het college niet tijdig had beslist en stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het college binnen de verlengde termijn heeft beslist. De rechtbank kan daarom geen dwangsom opleggen.

Daarnaast begrijpt de rechtbank uit een brief van eiser dat hij het niet eens is met het inhoudelijke besluit van 4 februari 2026. De rechtbank verwijst het beroep voor zover het tegen dit besluit is gericht terug naar het college als bezwaar en zal het beroepschrift niet opnieuw toezenden.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het college tijdig heeft beslist op het Woo-verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 20 december 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Eiser heeft het verzoek op 20 december 2025 ingediend. Bij brief van 20 januari 2025 heeft het college de beslistermijn verdaagd tot en met 4 februari 2026. Op 4 februari 2026 heeft het college op het verzoek van eiser beslist. De rechtbank stelt vast dat het college hiermee binnen de termijn heeft beslist. Daarom kan de rechtbank geen beslistermijn opleggen en hoeft het college geen dwangsom aan eiser te betalen.
3.1.
De rechtbank begrijpt uit de brief van eiser van 5 februari 2026 dat hij het niet eens is met het besluit van 4 februari 2026. Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 4 februari 2026 te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. [2]
3.2.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan. [3] Nu dit beroep reeds in het bezit is van het college zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
3.Ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb.