Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.289 opgelegd door de inspecteur, die de waarde van een Mercedes-Benz C-klasse 450 AMG 4MATIC Sedan hoger had vastgesteld dan belanghebbende had aangegeven. De inspecteur baseerde zich op een hertaxatie door DRZ en gebruikte een forfaitaire afschrijvingstabel, terwijl belanghebbende een taxatierapport had overgelegd met een lagere waardering.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag te hoog was vastgesteld. De rechtbank verwierp het mandaatverweer van belanghebbende en stelde vast dat de inspecteur niet in strijd met het mandaatverbod had gehandeld. De rechtbank vond dat de door belanghebbende gestelde hogere schade niet voldoende was onderbouwd en dat de inspecteur terecht geen waardevermindering wegens schadeverleden had toegepast.
De rechtbank stelde de historische nieuwprijs vast op € 135.879, conform het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.563. De verschuldigde BPM werd vastgesteld op € 9.038, waarna de naheffingsaanslag werd verminderd tot € 6.125.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 400 voor rekening van de inspecteur en € 1.600 voor rekening van de Staat. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.