Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4262

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/9077
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste waardering en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 8.289 opgelegd door de inspecteur, die de waarde van een Mercedes-Benz C-klasse 450 AMG 4MATIC Sedan hoger had vastgesteld dan belanghebbende had aangegeven. De inspecteur baseerde zich op een hertaxatie door DRZ en gebruikte een forfaitaire afschrijvingstabel, terwijl belanghebbende een taxatierapport had overgelegd met een lagere waardering.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag te hoog was vastgesteld. De rechtbank verwierp het mandaatverweer van belanghebbende en stelde vast dat de inspecteur niet in strijd met het mandaatverbod had gehandeld. De rechtbank vond dat de door belanghebbende gestelde hogere schade niet voldoende was onderbouwd en dat de inspecteur terecht geen waardevermindering wegens schadeverleden had toegepast.

De rechtbank stelde de historische nieuwprijs vast op € 135.879, conform het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.563. De verschuldigde BPM werd vastgesteld op € 9.038, waarna de naheffingsaanslag werd verminderd tot € 6.125.

Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 400 voor rekening van de inspecteur en € 1.600 voor rekening van de Staat. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 6.125 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9077

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.289 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 21 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz C-klasse 450 AMG 4MATIC Sedan met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.913.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de ingediende aangifte kennelijk onjuist is, mede omdat de schadecalculatie van de taxateur van belanghebbende substantieel afwijkt van de schadecalculatie van DRZ. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 11.202 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
Taxatiemethode, schade en schadeverleden
5.4.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in de handelsinkoopwaarde onvoldoende rekening heeft gehouden met de door hem gestelde schade en het schadeverleden van de auto. De taxateur heeft die schade in totaal becijferd op € 10.990, wat leidt tot een waardevermindering van de auto van € 7.913 (72 procent van de schade), en verder heeft de taxateur een bedrag van € 8.415 in aanmerking genomen vanwege het schadeverleden van de auto.
5.5.
Ter onderbouwing van de schade heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen, en verder heeft hij foto’s overgelegd van de auto. De inspecteur wijst op het rapport van DRZ, waarin de taxateur van DRZ zijn bevindingen en opmerkingen over de auto heeft opgenomen. De taxateur van DRZ geeft in dat rapport commentaar op de door belanghebbende opgevoerde schade. De taxateur van DRZ heeft € 375 aan schade geconstateerd. 72 procent van die schade (€ 270) heeft de inspecteur als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een hoger bedrag aan schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur reeds heeft gedaan. De door belanghebbende (meer) gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dan wel behelst niet meer dan normale gebruiksschade. Verder heeft belanghebbende zijn stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur verder terecht geen waardevermindering wegens het schadeverleden in aanmerking genomen. De enkele stelling van belanghebbende dat sprake zou zijn van een schadeverleden wat een waardevermindering van € 8.415 rechtvaardigt, is daarvoor onvoldoende.
5.8.
Omdat sprake is van schade aan de auto (€ 375), die ook door DRZ is geconstateerd, en die schade door de inspecteur verder niet inhoudelijk is betwist, kan de verschuldigde Bpm van de auto worden berekend aan de hand van de taxatiemethode.
Historische nieuwprijs
5.9.
Vervolgens staat de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde (zonder schade) ter discussie.
5.10.
Volgens belanghebbende dient de historische nieuwprijs van de auto, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [1] , te worden vastgesteld op € 135.879, en moet voor de handelsinkoopwaarde aangesloten worden bij de koerslijst Xray die DRZ heeft toegepast ter bepaling van de verschuldigde Bpm voor de auto.
5.11.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de historische bruto Bpm aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto zelf. Niet in geschil is dat dit – uitgaande van een CO2-uitstoot van 284 gr/km – € 57.675 is.
5.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de cataloguswaarde van de auto niet uit te gaan van deze netto catalogusprijs van de referentieauto zoals ook gebruikt door DRZ. De cataloguswaarde van de referentieauto bedraagt € 64.632. Vermeerderd met BTW (€ 13.572) en een historische bruto BPM van € 57.675, stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 135.879. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5.13.
De inspecteur voert aan dat als de historische nieuwprijs van de auto wordt verhoogd, ook de handelsinkoopwaarde evenredig moet worden verhoogd. Het afschrijvingspercentage van auto blijft gelijk aan die van de referentieauto. Van een vermindering van de verschuldigde Bpm is dus geen sprake, aldus de inspecteur.
5.14.
Belanghebbende bepleit het tegenovergestelde. Volgens hem rust allereerst de bewijslast van de waardestijging van de handelsinkoopwaarde, op de inspecteur. In dat kader wijst belanghebbende op de conclusie van A-G Ettema van 30 januari 2026 [2] . Verder betekent volgens belanghebbende een hogere CO2-uitstoot van de auto ook niet dat de inkoopwaarde van de auto hoger is dan die van de referentieauto. Het tegenovergestelde is juist waar, aldus belanghebbende.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de handelsinkoopwaarde onvoldoende gemotiveerd is betwist door de inspecteur. De inspecteur heeft namelijk maar beperkt gemotiveerd waarom de handelsinkoopwaarde zou moeten worden verhoogd. De rechtbank volgt de stelling van belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde niet evenredig dient te worden verhoogd met de historische nieuwprijs.
5.16.
Voor dat geval heeft de inspecteur slechts in het kader van de koerslijstmethode betwist dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals die volgt uit de koerslijst Xray kan worden gehanteerd. In dit geval is echter de taxatiemethode van toepassing (zie 5.8). Belanghebbende zoekt aansluiting bij de koerslijst Xray die ook door de deskundige van de inspecteur (DRZ) is gebruikt ter bepaling van de waarde van de auto. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar van af te wijken. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat stelt zij zodoende vast op € 21.563.
5.17.
Voorgaande betekent dat ter bepaling van de verschuldigde Bpm van de auto uit moet worden gegaan van een historische nieuwprijs van € 135.879 en handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 21.293 [3] . De verschuldigde Bpm stelt de rechtbank zodoende vast op € 9.038.
5.18.
Voorgaande leidt ertoe dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Deze moet worden verminderd tot € 6.125. [4]
Immateriële schadevergoeding
5.19.
Belanghebbende heeft op 15 augustus 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.20.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 20 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.21.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/20e deel, derhalve € 400 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.600 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 6.125. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
6.2.
De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 6.125;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.600;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

3.€ 21.563 minus € 270 wegens schade.
4.€ 9.038 verminderd met € 2.913.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.