Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4283

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/3472
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling legesheffing voor aanvraag herziening bestemmingsplan

Belanghebbenden hebben beroep ingesteld tegen de leges van €9.856 die de heffingsambtenaar van de gemeente Baarle-Nassau in rekening bracht voor de behandeling van hun aanvraag tot herziening van een bestemmingsplan. De aanvraag volgde op eerdere toezeggingen van de gemeente, die later werden ingetrokken.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 6 september 2023 van belanghebbenden terecht als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kwalificeert. De heffing van leges is gerechtvaardigd omdat de gemeente diensten heeft verricht, zoals het verzoek om aanvullende gegevens, ook al is de aanvraag uiteindelijk niet in behandeling genomen wegens onvoldoende informatie.

De stellingen van belanghebbenden dat er geen leges verschuldigd zijn vanwege eerdere betalingen, de ouderdom van het bestemmingsplan, het vertrouwensbeginsel of het evenredigheidsbeginsel worden verworpen. De eerdere toezeggingen zijn ingetrokken en de legesverordening is correct toegepast.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en belanghebbenden krijgen geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter T.I. van Term.

Uitkomst: Het beroep tegen de legesheffing voor de aanvraag herziening bestemmingsplan wordt ongegrond verklaard en de leges blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3472

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbenden], beiden uit [plaats] , belanghebbenden
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Baarle-Nassau, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 juni 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbenden leges in rekening gebracht van € 9.856 wegens het verzoek tot in behandeling nemen van een aanvraag voor een herziening van een bestemmingsplan.
1.2.
Het bezwaar van belanghebbenden tegen de in rekening gebrachte leges heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. Tegen die beslissing hebben belanghebbenden beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbenden, en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de leges terecht en niet tot een te hoog bedrag bij belanghebbenden in rekening heeft gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.
3. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht en niet tot een te hoog bedrag leges in rekening heeft gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Op 18 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau (college) aan belanghebbenden toegezegd de kosten van een herziening van het bestemmingsplan voor herontwikkeling van de gronden aan de Stationsstraat 21 te Baarle-Nassau op zich te willen nemen. In de brief van 18 februari 2016 staat daarover het volgende:
“wij hebben aangegeven dat wij in de context van de voorgeschiedenis in uw dossier bereid zijn om af te zien van legesheffing op de vergunning en de kosten van de noodzakelijke partiële herziening van het bestemmingsplan voor onze rekening willen nemen, indien uw initiatief kansrijk blijkt te zijn.”
4.1.
De gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau heeft op 10 mei 2017 besloten dat de op 18 februari 2016 toegezegde financiële tegemoetkoming alleen wordt nagekomen indien vóór 11 november 2017 een ‘kansrijk vervolginitiatief’ wordt ingediend.
4.2.
Op 3 april 2019 besloot de gemeenteraad het dossier voor het kansrijk vervolginitiatief aan de Stationsstraat 21 te sluiten. Het college heeft belanghebbenden daarover per brief verzonden op 12 april 2019 geïnformeerd:
“De gemeenteraad heeft in deze vergadering unaniem besloten om:
1. Kennis te nemen van het feit dat het college het maximale heeft gedaan om uitvoering te geven aan de opdracht uit de motie van februari 2016
2. Het dossier voor het kansrijk vervolginitiatief aan de Stationsstraat 21 te sluiten.
Het raadsvoorstel en -besluit zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.
Dit besluit betekent niet dat de gemeente in de toekomst niet meer zal meewerken aan uw
bouwplannen. Wel betekent dit dat de in 2016 gedane toezeggingen om
"(a) af te zien van
legesheffing op de vergunning en (b) de kosten van de noodzakelijke partiele herziening van het bestemmingsplan voor rekening van de gemeente te nemen" zijn komen te vervallen.”
4.3.
Belanghebbenden hebben op 6 september 2023 aan de gemeenteraad een brief gestuurd (de brief van 6 september 2023). De brief is getiteld “herzieningsverzoek”. In die brief is onder meer het volgende door belanghebbenden geschreven:
“Ook het besluit d.d. 10 mei 2017 om ons bouwplan niet in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen is onjuist. Ons bouwplan is wel degelijk mogelijk indien er maatregelen worden genomen. Dat is op 25 januari 2023 bekrachtigd door de Raad van State. Wij hebben meerdere keren akoestische maatregelen aangeleverd, maar de gemeente heeft deze nooit meegenomen. Dit hebben wij overigens ook besproken tijdens het gesprek met voormalig gemeentesecretaris [persoon 1] en voormalig directeur [persoon 4] en hen verzocht om dit alles aan de gemeenteraad voor te leggen. Het is niet duidelijk of dit ook is gebeurd. Daarom voegen wij hierbij, nogmaals, die akoestische maatregelen bij. Deze treft u als bijlagen 3 en 4 hierbij aan. Er is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot herziening van het oorspronkelijke besluit.
Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van State van 25 januari 2023 hebben wij op 23 augustus 2023 een herzieningsverzoek ingediend en het college verzocht om alles aan de gemeenteraad voor te leggen. Wij verzoeken de raad om heroverweging en tevens om ons bouwplan te laten aanpassen en in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen/mogelijk te maken.”
4.4.
Op 24 januari 2024 hebben belanghebbenden nogmaals een brief aan de gemeenteraad verzonden. In die brief staat onder meer:
“Wij verzoeken de raad om alles z.s.m. te herstellen en uw besluit d.d. 10 mei 2017 (om een planologisch kader bij ons perceel op te leggen en om ons bouwplan niet in het bestemmingsplan op te nemen) te herzien.”
4.5.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbenden op 14 oktober 2024 geïnformeerd dat hij de brief van 6 september 2023 (mede) aanmerkt als een aanvraag waarvoor leges is verschuldigd. Onder verwijzing naar de geciteerde passage van de brief van 6 september 2023 als opgenomen onder overweging 4.3, schrijft de heffingsambtenaar:
“ U verzoekt de raad hiermee om een bouwplan in een bestemmingsplan op te nemen dan wel op andere wijze in een bestemmingsplan mogelijk te maken

Legesverordening 2023 van toepassing op de aanvraag

De gemeente Baarle-Nassau heft leges voor door het gemeentebestuur verstrekte diensten. Eén van die diensten, het belastbare feit, betreft het in behandeling nemen van aanvragen om herziening van een bestemmingsplan. Uw aanvraag dateert van 6 september 2023. Om die reden is de Legesverordening 2023 op uw aanvraag van toepassing.”
De heffingsambtenaar heeft in de bijlage van zijn brief de begroting opgenomen waarmee hij het legesbedrag van € 9.856 onderbouwt. Verder is in de brief te lezen:
“ Op de vijfde werkdag na kennisgeving van deze brief (met begroting) wordt uw aanvraag in behandeling genomen en bent u (zoals aangegeven) de leges zoals die blijken uit de meegezonden begroting verschuldigd. De leges zijn niet verschuldigd indien de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.”
4.6.
Op 20 maart 2025 heeft het college aan belanghebbenden een brief verzonden, waarin zij een besluit op de aanvraag van belanghebbenden hebben genomen. In die brief staat, onder meer, het volgende:

“Wat is ons besluit op uw aanvraag?

Op grond van artikel 4:5 Awb Pro besluiten wij uw aanvraag niet te behandelen.

Waarom nemen wij dit besluit op uw aanvraag?

Artikel 4:2, tweede lid Awb bepaalt dat de aanvrager de gegevens en bescheiden aan het
bestuursorgaan verschaft die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag en waarover hij
redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als de aanvrager niet heeft voldaan aan artikel 4:2, tweede lid Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c Awb, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen.
Bij uw aanvraag d.d. 6 september 2023 troffen wij onvoldoende gegevens en bescheiden aan die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag. Bij brief van 10 januari 2025 hebben wij u gevraagd om binnen 6 weken na de verzenddatum van de brief alsnog de nodige - in de brief verder gespecificeerde - gegevens en bescheiden aan te leveren. In de brief hebben wij u gewaarschuwd dat u er rekening mee moet houden dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld als de aanvraag niet binnen de gestelde termijn wordt aangevuld.
Wij hebben op 10 februari 2025 van u een brief ontvangen. Deze brief bevat niet de door ons
gevraagde gegevens en bescheiden en u heeft deze overigens ook niet op een andere wijze aan ons verstrekt. Zonder deze gegevens en bescheiden kunnen wij niet op de aanvraag beslissen. De gevraagde gegevens en bescheiden zijn daarmee niet verstrekt binnen de geboden termijn. Daarom besluiten wij uw aanvraag niet te behandelen.”

Motivering

5. Voordat de rechtbank ingaat op de inhoudelijke gronden van belanghebbenden tegen de in rekening gebrachte leges, bespreekt zij allereerst een paar formele punten.
Uitspraak op bezwaar
5.1.
Belanghebbenden stellen allereerst dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. De uitspraak op bezwaar is namelijk ondertekend door [persoon 5] maar volgens belanghebbenden zou de heer [persoon 5] niet gemandateerd zijn als heffingsambtenaar. In het verleden hebben belanghebbenden namelijk ook met de heer [persoon 5] te maken gehad, maar toen trad hij op in een andere hoedanigheid, aldus belanghebbenden. De heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbenden gemotiveerd betwist.
5.2.
De rechtbank ziet in de voorliggende feiten en omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat de heer [persoon 5] niet gemandateerd zou zijn om namens de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar te ondertekenen. De enkele stelling van belanghebbenden dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen, acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.
5.3.
Belanghebbenden voeren verder aan dat de uitspraak op bezwaar niet binnen de wettelijke termijn is gedaan. Belanghebbenden hebben ter zitting gezegd deze stelling door de rechtbank te willen laten toetsen, maar zij hebben niet aangegeven welke consequenties het te laat beslissen in bezwaar zou moeten hebben.
5.4.
De rechtbank overweegt dat als er te laat, dat wil zeggen niet binnen de in artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn, op een bezwaar wordt beslist, het bestuursorgaan een dwangsom kan verbeuren als deze schriftelijk in gebreke is gesteld [1] . Dat belanghebbenden de heffingsambtenaar schriftelijk in gebreke hebben gesteld, en de heffingsambtenaar vervolgens niet binnen een termijn van 14 dagen op het bezwaar heeft beslist, is niet gesteld of gebleken. De rechtbank ziet daarom niet in waartoe de stelling van belanghebbenden hierover zou moeten leiden.
5.5.
Tot slot voeren belanghebbenden als formeel punt aan dat de rechtsmiddelenverwijzing in de uitspraak op bezwaar een fout bevat. In de rechtsmiddelenverwijzing staat namelijk dat beroep kan worden ingesteld bij team bestuursrecht, terwijl de afdeling belastingrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is om van het beroepschrift kennis te nemen.
5.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze constatering van belanghebbenden gevolgen te verbinden. Belanghebbenden hebben tijdig beroep ingesteld bij de afdeling belastingrecht van de rechtbank, zodat de mogelijke onduidelijkheid hun rechtsgang niet heeft verhinderd. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake, omdat de afdeling belastingrecht deel uitmaakt van het team bestuursrecht.
Is sprake van een aanvraag?
5.7.
Tussen partijen is vervolgens in geschil of er een zogezegd belastbaar feit aanwezig is die de heffing van leges kan rechtvaardigen. De heffingsambtenaar stelt dat dat het geval is, omdat er sprake is van een ‘aanvraag’ als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Belanghebbenden betwisten dat zij een aanvraag hebben gedaan die tot de heffing van leges zou kunnen leiden.
5.8.
De rechtbank overweegt dat van een aanvraag volgens het derde lid van artikel 1:3 van Pro de Awb sprake is bij “een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen”. De heffingsambtenaar heeft de brief van belanghebbenden van 6 september 2023 aangemerkt als aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Voor de behandeling van die aanvraag heeft hij op grond van de Legesverordening 2023 van de gemeente Baarle-Nassau (de legesverordening) leges geheven.
5.9.
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan belanghebbenden betogen, hun verzoek genoemd in de brief van 6 september 2023 door de heffingsambtenaar terecht is aangemerkt als aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Gelet op het hoe belanghebbenden hun verzoek hebben omschreven, te weten “
het bouwplan in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen/mogelijk te maken” ziet het verzoek op het nemen van een besluit door de gemeenteraad, inhoudende dat het bestemmingsplan wordt aangepast. Het verzoek kan niet anders worden begrepen dan dat belanghebbenden het bestuursorgaan verzoeken een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling te nemen. Op grond van de wet kwalificeert het verzoek van belanghebbenden als aanvraag.
5.10.
Dat belanghebbenden, zoals zij stellen, geen aanvraag deden omdat bovenaan in de brief van 6 september 2023 staat “herziening”, waarmee werd bedoeld het raadsbesluit van 3 april 2019 te herzien, leidt niet tot een ander oordeel. De enkele vermelding van deze aanhef maakt niet dat de inhoud van het vervolgens in de brief gedane verzoek, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet als aanvraag kwalificeert. Bovendien heeft de heffingsambtenaar in de brief van 14 oktober 2024 belanghebbenden erop gewezen dat hij het verzoek in behandeling neemt als een aanvraag waarvoor leges verschuldigd zijn en dat zij geen leges verschuldigd zouden zijn als zij de aanvraag voor de vijfde werkdag na kennisgeving van de brief zouden intrekken. Dat belanghebbenden van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt omdat zij daarmee naar eigen zeggen anders zouden erkennen dat een aanvraag zou zijn gedaan, leidt er ook niet toe dat van een aanvraag geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee juist de uitleg van de heffingsambtenaar aanvaard, terwijl zij toen nog de gelegenheid hadden om kosteloos van de aanvraag af te zien.
5.11.
Vervolgens komt de vraag op of voor de aanvraag leges is verschuldigd. Onder verwijzing naar onderdeel 2.8.1. van bijlage 1 bij de legesverordening, stelt de heffingsambtenaar dat dat het geval is. Belanghebbenden betwisten dat leges zijn verschuldigd op meerdere gronden. Zij voeren aan dat (i) de gemeente geen prestatie heeft geleverd, (ii) leges al eerder zijn betaald, (iii) het bestemmingsplan ouder dan 10 jaar is en daarom geen leges kunnen worden geheven, en (iv) er sprake is van gewekt vertrouwen dat de heffing van leges verhindert.
(i)
Prestatie
5.12.
Leges worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In het kader van een aanvraag om herziening van een bestemmingsplan is de dienst het in behandeling nemen van zo’n aanvraag [2] . Belanghebbenden bestrijden dat van een verstrekte dienst sprake is, nu het college het besluit heeft genomen om de aanvraag op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb niet te behandelen.
5.13.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval diensten zijn verricht die de heffing van leges rechtvaardigen [3] . Dat blijkt namelijk uit de correspondentie die heeft plaatsgevonden na de aanvraag in verband met de behandeling van de aanvraag (zie 4.6). Zo heeft het college op 10 januari 2025 schriftelijk verzocht om aanvullende gegevens. Dat het college vervolgens het besluit heeft genomen om de aanvraag niet te behandelen, is voor de beoordeling of er terecht heffing van leges heeft plaatsgevonden, niet relevant. Het gaat namelijk om het antwoord op de vraag of eerder al diensten zijn verstrekt.
(ii)
Eerder betaalde leges
5.14.
Belanghebbenden hebben in het verleden ook leges betaald aan de gemeente Baarle-Nassau. Dat feit verhindert dat nu weer leges kan worden geheven, aldus belanghebbenden. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat de eerder betaalde leges ziet op andere procedures, voor andere legesplichtige diensten.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbenden met hun enkele stelling dat in het verleden leges zijn betaald, niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake zou zijn van een dubbele heffing, op grond waarvan heffing van leges nu achterwege zou moeten blijven. De stelling over eerder betaalde leges kan belanghebbenden dus niet baten.
(iii)
Bestemmingsplan
5.16.
Belanghebbenden voeren aan dat het bestemmingsplan op enig moment ouder was dan 10 jaar en dat daarom geen leges verschuldigd kan zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De heffingsambtenaar heeft namelijk onweersproken gesteld dat het bestemmingsplan voor de Stationsstraat 21 te Baarle Nassau op 14 juni 2017 is vastgesteld, op 4 juli 2018 onherroepelijk is geworden, en elektronisch raadpleegbaar is. De door belanghebbenden bedoelde legessanctie als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is blijkens artikel 3.1a Wro niet van toepassing op bestemmingsplannen die elektronisch raadpleegbaar zijn. Het beroep van belanghebbenden op de in artikel 3.1 van de Wro genoemde sanctie, kan dus niet slagen.
(iv)
Vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
5.17.
Belanghebbenden voeren verder aan dat het vertrouwensbeginsel verhindert dat leges in rekening kunnen worden gebracht. Enerzijds wijzen belanghebbenden daartoe op de toezegging zoals die door het college is gedaan op 18 februari 2016, en anderzijds wijzen belanghebbenden erop dat de gemeente op een later moment mediation heeft voorgesteld, en belanghebbenden er ook daarom op vertrouwden dat geen leges in rekening zouden worden gebracht.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. De toezegging die is gedaan in de brief van 18 februari 2016 (zie 4) is op 3 april 2019 ingetrokken. Die beslissing is op 12 april 2019 aan belanghebbenden kenbaar gemaakt (zie 4.2). Het destijds gewekte vertrouwen is met die laatstgenoemde brief opgezegd. Op het moment waarop nu leges in rekening zijn gebracht, konden belanghebbenden naar het oordeel van de rechtbank er niet meer gerechtvaardigd op vertrouwen dat geen leges zou worden geheven in verband met die eerdere gedane maar ingetrokken toezegging.
5.19.
Ook het feit dat de gemeente op een later moment mediation heeft voorgesteld, leidt er niet toe dat belanghebbenden er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat voor de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan geen leges door de heffingsambtenaar zouden worden geheven. Het enkele feit dat mediation werd voorgesteld is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat ook niet aannemelijk is geworden dat de heffingsambtenaar partij was bij de (voorgestelde) mediation, dan wel gehouden zou zijn aan enige afspraak die uit de mediation mogelijkerwijs zou voortvloeien.
5.20.
Tot slot kan het beroep van belanghebbenden op een eerder door deze rechtbank gedane uitspraak, waarin het vertrouwensbeginsel wel werd gehonoreerd, hen niet baten [4] . In die zaak waren de feiten en omstandigheden namelijk anders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Evenredigheidsbeginsel
5.21.
De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbenden zo dat zij stellen dat de hoogte van de in rekening gebrachte leges in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel.
5.22.
Ook dat beroep kan belanghebbenden niet baten. De leges zijn in rekening gebracht conform de tarieventabel bij de legesverordening. Belanghebbenden hebben voorafgaand aan de heffing een begroting ontvangen van de leges, waardoor zij op de hoogte waren dat met hun aanvraag aanzienlijke kosten gemoeid waren. Verder hebben zij de mogelijkheid gehad hun aanvraag in te trekken, zodat geen leges verschuldigd zouden zijn (zie 4.5). De aankondiging van de leges en de toegezonden begroting hebben belanghebbenden er echter niet toe gebracht de aanvraag in te trekken, zodat de heffingsambtenaar terecht leges in rekening heeft gebracht. Of de aanvraag vervolgens terecht buiten behandeling is gesteld, is een beslissing die is genomen omdat belanghebbenden niet alle gevraagde informatie hebben aangeleverd (zie 4.6), welke beslissing in deze procedure niet kan worden getoetst. Dat het in dit geval onevenredig zou zijn om leges in rekening te brengen, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
5.23.
Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep van belanghebbenden ongegrond. Al hetgeen belanghebbenden overigens nog hebben aangevoerd, kan ook niet tot een ander oordeel leiden.
Schadevergoeding
5.24.
Belanghebbenden hebben tot een slot een verzoek gedaan om schadevergoeding. Dat verzoek wijst de rechtbank af. Een schadevergoeding is namelijk alleen mogelijk bij een gegrond beroep. Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bij belanghebbenden in rekening gebrachte leges in stand blijven. Belanghebbenden krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7:14 in Pro verbinding met artikel 4:17 van Pro de Awb en verder.
2.Artikel 2 van Pro de legesverordening, en artikel 2.8.1. van de tarieventabel van die verordening
3.Hoge Raad van 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BC0652, rov. 3.3. en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2723.
4.Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6227.