Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer kon ontstaan op de Adriaan van Bergenstraat te Breda op 23 september 2023. Betrokkene voerde aan dat zij slechts met gevarenlichten aan aan de zijkant van de weg stond te wachten en dat er geen sprake was van hinder. De verbalisant verklaarde dat de gedraging was verricht en dat hij afzag van staandehouding omdat betrokkene instapte en wegreed.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de gedraging heeft plaatsgevonden en dat betrokkene zich had moeten vergewissen van de parkeerregels. Omdat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding, mocht de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.