ECLI:NL:RBZWB:2026:4293

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11503760
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens rijden op fietspad met matiging boete wegens termijnoverschrijding

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad op een locatie in Breda op 24 augustus 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat digitale handhaving onhoudbaar is en dat de redelijke termijn was overschreden.

De kantonrechter oordeelde dat digitale handhaving niet in strijd is met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en dat het niet aan de rechter is om hierover in algemene zin te oordelen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, waardoor de boete met 25% moest worden gematigd.

Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan zekerheid en tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11503760 \ MB VERZ 25-105
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 7 april 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde] )

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 april 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de [straat] te Breda op 24 augustus 2023 om 12:50 uur.
Gemachtigde heeft samengevat aangevoerd dat digitale handhaving niet langer houdbaar en verdedigbaar is. De aantallen en locaties waar op een dergelijke wijze wordt gehandhaafd zijn enorm in omvang toegenomen en er bestaat grote maatschappelijke onvrede hierover. Het gaat veelal om onduidelijke situaties en borden die zonder (duidelijke) vooraankondiging door nietsvermoedende burgers worden gepasseerd. Volgens gemachtigde vindt zowel de landelijke als de lokale politiek inmiddels dat er paal en perk moet worden gesteld aan deze vorm van handhaving. In het televisieprogramma “Kassa” is hieraan onlangs ook aandacht besteed. Gemachtigde meent dat het aan de kantonrechter is om rechtsbescherming te bieden, ongeacht of er strikt genomen aan de wettelijke vereisten voor digitale handhaving wordt voldaan, omdat áls aan alle wettelijke vereisten is voldaan het onmogelijk is om de sanctie aan te vechten. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat de redelijke termijn is overschreden. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan voldoende worden vastgesteld op basis van de foto’s en de schouwrapporten in het dossier. Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder van het voertuig de geldende bebording tijdig op te merken en hiernaar te handelen. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de sanctie met 25% te matigen.

Overwegingen

Inhoudelijk
De beroepsgrond dat digitale handhaving van geslotenverklaringen niet langer houdbaar is, slaagt niet. Digitale handhaving is volgens vaste rechtspraak niet in strijd met de Wahv. Het is niet aan de kantonrechter om in zijn algemeenheid te oordelen dat digitale handhaving niet (meer) wenselijk of verdedigbaar is. Het is aan de wet- en regelgever om hierin keuzes te maken. De kantonrechter ziet in wat is aangevoerd evenmin aanleiding om te oordelen dat digitale handhaving in strijd is met algemene rechtsbeginselen of met het in artikel 6 van Pro het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De kantonrechter kan wel beoordelen of in een concreet geval wordt voldaan aan de voorwaarden die het openbaar ministerie heeft opgesteld voor digitale handhaving. Daaronder valt onder meer of de geslotenverklaring tijdig wordt aangekondigd door vooraankondigingsborden en of de bebording ter plaatse aanwezig en duidelijk is. Gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval niet wordt voldaan aan die voorwaarden.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter. Verder is de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing. [1]
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 233,50.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 120,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 40,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending:

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.