Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad op een locatie in Breda op 24 augustus 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat digitale handhaving onhoudbaar is en dat de redelijke termijn was overschreden.
De kantonrechter oordeelde dat digitale handhaving niet in strijd is met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en dat het niet aan de rechter is om hierover in algemene zin te oordelen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, waardoor de boete met 25% moest worden gematigd.
Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan zekerheid en tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.