Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat de lichtdoorlatendheid van de voorruit van zijn voertuig minder dan 55% bedroeg. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat uit de verklaring van de verbalisant niet bleek dat de lichtdoorlatendheid onvoldoende was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat uit de stukken, met name de verklaring van de verbalisant, voldoende bleek dat de gedraging had plaatsgevonden. Daarbij werd bevestigd dat het niet vereist is dat de overtreding tijdens het rijden wordt geconstateerd; de meting na staandehouding volstaat om de overtreding vast te stellen.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag aan zekerheid terug te betalen.
Uitkomst: De boete wegens onvoldoende lichtdoorlatendheid is terecht opgelegd maar met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.