Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op een straat te Breda op 8 september 2023. Betrokkene stelde dat hij niet staande was gehouden en dat hij geen verklaring kon afleggen, waardoor zijn verdedigingsbelang was geschaad. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter behandelde het beroep op 7 april 2026.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt dat de overtreding heeft plaatsgevonden. De verbalisant kon de bestuurder niet staande houden vanwege een prioriteitshandeling (lijkvinding), wat geoorloofd was. De boete is daarom terecht opgelegd aan de kentekenhouder. Wel is de redelijke termijn voor de procedure overschreden, waardoor de boete met 25% wordt gematigd.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter, berekend op basis van de wettelijke vermenigvuldigingsfactor. De officier van justitie moet het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terugbetalen. De beslissing van de officier van justitie wordt gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank matigt de verkeersboete met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond.