Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor rechts inhalen op de Rijksweg A16 te Prinsenbeek op 8 oktober 2023. Betrokkene stelde dat de boete onredelijk was vanwege summiere verklaring van de verbalisant, onduidelijkheid over de veiligheidssituatie en overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant, die in beginsel voldoende is bij Wahv-zaken. Er was geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. De verbalisant kon echter niet staande houden omdat hij in een onopvallend voertuig zonder stopmiddelen reed en de gedraging op een snelweg met hoge snelheid plaatsvond, waardoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor behandeling van de zaak was overschreden. Daarom matigde de rechtbank de boete met 25%. Ook werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase waarin de termijn was overschreden. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete met 25% gematigd wegens overschrijding redelijke termijn en geen reële mogelijkheid tot staandehouding.