Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4348

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/5768
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 ZWArt. 29, tweede lid, sub d ZWArt. 31, tweede en derde lid ZWArt. 3:3 AibArt. 3:5 Aib
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling korting op Ziektewetuitkering wegens pensioen- en lijfrente-inkomsten

Eiseres ontving vanaf 24 augustus 2024 een Ziektewetuitkering en diende meerdere inkomstenopgaven in, waarop het UWV kortingen toepaste op haar uitkering. De inkomsten betroffen onder meer een pensioen van een bedrijfspensioenfonds en een lijfrentepolis via Nationale Nederlanden, die zij vanaf 1 februari 2025 ontving. Eiseres betwistte de korting op deze inkomsten en voerde aan dat deze haar uitkering niet mochten beïnvloeden, mede omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd pas in 2027 bereikt.

De rechtbank stelde vast dat het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Aib) bepaalt dat oudedagsvoorzieningen en uitkeringen die voorafgaan aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd als inkomen worden beschouwd, tenzij deze eerder ingaan dan het recht op de Ziektewetuitkering. Omdat eiseres de pensioen- en lijfrente-inkomsten pas na de toekenning van de Ziektewetuitkering ontving, was het UWV verplicht deze in mindering te brengen.

De rechtbank verwierp het beroep van eiseres, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor een uitzondering en het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden. De kortingen op de Ziektewetuitkering blijven derhalve in stand, en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders op 4 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de korting op de Ziektewetuitkering wegens pensioen- en lijfrente-inkomsten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5768

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de, door de inkomsten van eiseres, door het UWV toegepaste kortingen op de uitkering van eiseres die zij op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangt. Eiseres is het hier niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden de toegepaste kortingen op de Ziektewetuitkering in stand heeft gelaten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de inkomsten van [bedrijf] Pensioenfonds ( [bedrijf] ) en Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (NN) als inkomen in de zin van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Aib) beschouwd dienen te worden. Omdat eiseres deze inkomsten pas ontvangt na toekenning van de WW- en de Ziektewetuitkering, moest het UWV deze inkomsten korten. Er is geen ruimte voor toepassing van een uitzondering en het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.2. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Het UWV heeft bij besluiten van 5 maart 2025, 3 april 2025, 4 juni 2025 en
12 augustus 2025 (respectievelijk primaire besluiten 1 tot en met 4) op grond van de inkomsten van eiseres een korting toegepast op haar Ziektewetuitkering. In ieder besluit heeft het UWV bepaalt dat er – na aftrek van de inkomsten – niets van de bruto-uitkering per dag overblijft. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 tot en met 4. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 op deze bezwaarschriften is het UWV bij de toegepaste korting op de Ziektewetuitkering van eiseres gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was laatstelijk, via Uitzendbureau Randstad B.V. (Randstad), werkzaam bij de gemeente [plaats 2] . Zij ontving in die periode ook nog een gedeeltelijke WW-uitkering. Naar aanleiding van de ziekmelding van eiseres op 24 mei 2024 heeft het UWV eiseres vanaf 24 augustus 2024 een Ziektewetuitkering toegekend. Eiseres heeft aan het UWV op respectievelijk 3 maart 2025, 1 april 2025, 2 juni 2025 en 11 augustus 2025 inkomstenopgaven toegezonden.
Na iedere door eiseres ingediende inkomstenopgave heeft het UWV, via de primaire besluiten 1 tot en met 4, besloten dat de inkomsten van eiseres op haar Ziektewetuitkering worden gekort. De rechtbank verwijst verder naar het in overweging 2 opgenomen procesverloop.
Heeft het UWV in het bestreden besluit op goede gronden de in de primaire besluiten 1 tot en met 4 opgenomen kortingen op de Ziektewetuitkering in stand gelaten?
4. Eiseres voert in beroep aan dat zij tot en met 22 augustus 2024 een aanvullende WW-uitkering ontving en vanaf 1 februari 2025 een ouderdomspensioen van [bedrijf] en een lijfrentepolis via NN. Eiseres stelt dat dat deze inkomsten haar Ziektewetuitkering niet beïnvloeden en dat het UWV de toegepaste korting op de Ziektewetuitkering onvoldoende onderbouwd heeft. Ook voert eiseres aan dat zij niet eerder dan 4 januari 2027 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en het UWV ook daarom niet de Ziektewetuitkering mag korten.
4.1.
Het UWV stelt dat vanaf 1 februari 2025 de volgende inkomsten op de Ziektewetuitkering in mindering worden gebracht: het inkomen van Randstad, de pensioenuitkering van [bedrijf] en de lijfrenteverzekering van NN. Voor de laatste twee inkomstenbronnen geldt dat deze in de polisadministratie van het UWV zijn opgenomen als ouderdomspensioen. Het UWV stelt dat het gehouden is om deze inkomsten ook in mindering te brengen op de Ziektewetuitkering.
4.2.
Op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW worden inkomsten op de Ziektewetuitkering in mindering gebracht. Wat onder inkomsten wordt verstaan, volgt op basis van het derde lid van dit artikel uit het Aib.
In artikel 3:3, eerste lid, sub c, en artikel 3:5, vierde lid, sub a, van het Aib is bepaald dat een
oudedagsvoorziening dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd als inkomen in de zin van het Aib wordt beschouwd. Voor beide aangehaalde artikelen geldt dat dit anders is als de oudedagsvoorziening eerder ingaat dan het recht op de Ziektewet- of WW-uitkering.
4.3.
Partijen zijn het erover een dat eiseres, voorafgaand aan de toekenning van de Ziektewetuitkering per 24 augustus 2024, nog een gedeeltelijke WW-uitkering ontving. Ook is niet in geschil dat de Ziektewetuitkering van eiseres (voor toepassing van een korting) tot 1 juli 2025 € 130,77 bruto per dag bedroeg en vanaf 1 juli 2025 € 133,99 bruto. De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat eiseres vanaf 1 februari 2025 de volgende inkomsten ontvangt:
[bedrijf] Pensioenfonds € 1.295,38
Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. - 58,43
Randstad Uitzendbureau B.V. - 1.764,97
Nationale Nederlanden Bank N.V. - 225,62
Tussen partijen is niet in geding dat de Ziektewetuitkering in ieder geval wordt gekort met de inkomsten van Randstad (70% van € 146,26 bruto per dag) en dat de inkomsten van Nationale Nederland Bank N.V. niet op de Ziektewetuitkering in mindering strekken.
4.4.
Partijen zijn het niet eens over het vanaf 1 februari 2025 korten van de inkomsten van de [bedrijf] Pensioenfonds en Nationale Levensverzekeringen Maatschappij N.V.. Volgens het bestreden besluit gaat het bij deze posten om een inkomen van € 60,45 bruto per dag.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV in het bestreden besluit terecht in aanmerking genomen dat eiseres voorafgaand aan de toekenning van de Ziektewetuitkering al een gedeeltelijke WW-uitkering ontving en dat het Aib die uitkering als een reguliere WW-uitkering kwalificeert. De gegevens waarop het UWV het bestreden besluit op heeft gebaseerd, zijn afkomstig uit de polisadministratie. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag het UWV uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn [1] . Dat laatste is niet het geval. Daaruit volgt dan ook dat het UWV terecht heeft aangevoerd dat de in overweging 4.4 aangehaalde inkomsten in de polisadministratie zijn geregistreerd onder code 56: ‘
56 Ouderdomspensioen dat via de werkgever is opgebouwd of ouderdomspensioen opgebouwd via een verplichte bedrijfspensioenregeling / bedrijfstakpensioenregeling’. Gelet op hetgeen in artikel 3:3 en Pro artikel 3:5 van Pro het Aib is bepaald, heeft het UWV dit inkomen terecht als een in het Aib aangehaalde oudedagsvoorziening gekwalificeerd. Het bestreden besluit is volledig in lijn met de door het UWV aangehaalde rechtspraak [2] .
4.6.
In het Aib zijn weliswaar uitzonderingen opgenomen om het betreffende inkomen niet als inkomen in de zin van het Aib te beschouwen, maar eiseres voldoet niet aan de voorwaarden om hier een geslaagd beroep op te kunnen doen. En dat is terug te voeren op het gegeven dat de inkomsten van [bedrijf] en NN pas aan eiseres worden uitbetaald
nadathet recht op de WW- en Ziektewetuitkering al is ingegaan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het UWV de betreffende ingehouden bedragen terecht – voor 70% - op de uitkering heeft gekort. De beroepsgronden van eiseres slagen niet.
4.7/ De rechtbank realiseert zich dat dit niet het resultaat is waarop eiseres hoopt. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd toegelicht dat de in deze procedure bestreden korting op de Ziektewetuitkering niet tot financiële problemen bij eiseres leidt. Daarnaast is er inmiddels een WIA-uitkering aangevraagd en is de situatie vanaf januari 2027 in ieder geval opgelost door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Gelet op het voorstaande ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om, zoals namens eiseres is betoogd, het evenredigheidsbeginsel toe te passen dan wel in het oordeel af te wijken ten gunste van eiseres.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de kortingen op de Ziektewetuitkering door de inkomsten van het [bedrijf] en NN in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Ziektewet (Zw)
Artikel 7, sub a:
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
Artikel 29, tweede lid, sub d, onder 1°:
2. (….)
Het ziekengeld wordt uitgekeerd aan:
d. de verzekerde die:
1°. Op grond van artikel 7, onderdeel a, als werknemer wordt beschouwd, vanaf de eerste dag van de veertiende week van de ongeschiktheid tot werken (….);
Artikel 31, tweede en derde lid:
2. Op het ziekengeld wordt in mindering gebracht:
p/100 x A x B/C waarbij:
P staat voor het percentage van het dagloon dat de verzekerde als ziekengeld ontvangt;
A staat voor het inkomen;
B staat voor het dagloon waarnaar het ziekengeld is berekend;
C staat voor het dagloon waarnaar het ziekengeld zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Aib)
Artikel 1:1, vierde lid:
4. Indien een uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet wordt die uitkering steeds aangemerkt als een reguliere WW-uitkering.
Artikel 3:1:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in (….) en de Ziektewet.
Artikel 3:3, eerste lid, sub c:
1. Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van artikel 18 of Pro hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet recht ontstaat op:
c. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periode uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werk genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op loon, bezoldiging respectievelijk uitkering. Dit lid is uitsluitend van toepassing indien het recht op uitkering, bezoldiging of loon is ontstaan uit hoofde van werkzaamheden die zijn gestart nadat het recht op uitkering op grond van artikel 18 of Pro hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet is ontstaan.
Artikel 3:5, vierde lid, sub a, vijfde, zevende en achtste lid:
4. Voor de Werkloosheidswet wordt als inkomen in verband met arbeid beschouwd:
a. een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
5. In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot het inkomen in verband met arbeid gerekend de uitkering, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.
7. In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.
8. In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, wordt niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend het inkomen dat op grond van de Werkloosheidswet reeds in aanmerking is genomen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

Voetnoten

1.CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3172 en CRvB 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:345.
2.Rechtbank Noord-Nederland 2 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1145.