Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4353

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/744
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens gebrek aan procesbelang

Belanghebbende heeft op 5 april 2025 een auto geparkeerd zonder dat de parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg legde daarop een naheffingsaanslag op van €49,93, bestaande uit €1,00 belasting en €48,93 aan kosten. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of belanghebbende voldoende procesbelang had bij het beroep. Uit de brief van 9 maart 2026 bleek dat belanghebbende de aanslag niet langer betwistte, waardoor het nastreven van een ander resultaat feitelijk geen betekenis meer had. Een louter principieel belang is onvoldoende voor ontvankelijkheid.

Belanghebbende stelde ook dat de heffingsambtenaar het griffierecht moest vergoeden, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen zelfstandig procesbelang oplevert. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling van de aanslag.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/744

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg , de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 december 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbende heeft vervolgens nog een aanvullend stuk ingediend.
1.4.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. De rechtbank heeft het onderzoek op 16 april 2026 gesloten.

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 5 april 2025 een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat] te [plaats] . Tijdens een controle omstreeks 15.34 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 49,93 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,00 en € 48,93 aan kosten van naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of belanghebbende voldoende procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep.
3.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende blijkens haar brief van 9 maart 2026, de aan haar opgelegde aanslag niet langer betwist, zij geen belang meer heeft bij een oordeel van de rechtbank over de uitspraak op bezwaar van 30 december 2025. Het beroep van belanghebbende is daarom niet-ontvankelijk.
3.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar is gehouden om het griffierecht in beroep te vergoeden. Voor zover belanghebbende meent dat zij hierom een procesbelang heeft, overweegt de rechtbank dat de enkele wens tot vergoeding van het griffierecht in de rechterlijke fase in beroep geen zelfstandig procesbelang oplevert (vgl. onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2063).

Conclusie

4. Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van A.S. Kanavan, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechatspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.