ECLI:NL:CRVB:2014:2063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
12-5962 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep inzake indicatiebesluit AWBZ

Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) waarin een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ werd geweigerd. Na intrekking van het oorspronkelijke besluit door CIZ en toekenning van een indicatie, werd het beroep bij de rechtbank deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond, met een proceskostenveroordeling ten gunste van appellant.

Appellant stelde dat het hoger beroep nog belang had vanwege onnodig gemaakte proceskosten doordat CIZ haar besluit pas na het instellen van het beroep had herzien. Echter, CIZ had op basis van nieuwe aanvragen indicatiebesluiten genomen die alleen betrekking hadden op latere perioden, niet op de oorspronkelijke indicatie per 12 januari 2011.

De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang meer had bij een inhoudelijk oordeel over het aangevallen besluit en dat de verzochte proceskostenvergoeding reeds door de rechtbank was toegekend. Omdat CIZ niet tegemoet was gekomen in de zin van het intrekken of wijzigen van het oorspronkelijke besluit binnen het hoger beroep, was er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

12/5962 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
3 maart 2010, 09/1815 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Mr. Soebhag heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Soebhag en CIZ door mr. I.C.J.G van Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 december 2011 heeft CIZ het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 12 januari 2011, waarbij aan appellant een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten (AWBZ) is geweigerd, ongegrond verklaard.
1.2. Bij besluit van 23 april 2012 heeft CIZ het besluit van 6 december 2011 ingetrokken en aan appellant alsnog een indicatie voor een Zorgzwaartepakket toegekend vanaf
12 januari 2011.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 6 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van
23 april 2012 ongegrond verklaard, bepaald dat CIZ het griffierecht van appellant vergoedt en CIZ veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,-.
3.1.
Niet in geschil is dat CIZ op basis van nieuwe aanvragen van appellant bij besluiten van
8 januari 2013 en 5 november 2013 indicatiebesluiten heeft genomen die zien op de periode
8 januari 2013 tot en met 7 juli 2013 en op de periode 31 oktober 2013 tot en met
30 oktober 2016.
3.2.
Bij brief van 26 maart 2014 heeft appellant de Raad meegedeeld dat met de afgifte van het besluit van 5 november 2013 het belang van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak grotendeels is vervallen. Appellant heeft naar zijn stelling slechts nog belang bij een uitspraak, omdat hij onnodig proceskosten heeft moeten maken als gevolg van de omstandigheid dat CIZ haar oorspronkelijke besluit eerst na het instellen van het beroep bij de rechtbank heeft herzien. Appellant heeft tevens gesteld dat CIZ eerst na het instellen van hoger beroep met het besluit van 5 november 2013 tegemoet is gekomen. Naar de stelling van appellant rechtvaardigt dit dat de Raad uitspraak doet ter zake van de proceskosten in beide aangelegenheden.
4.1.
De Raad volgt het standpunt van appellant niet.
4.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de proceskosten en het griffierecht aan appellant toegekend. Appellant wenst, naar hij in zijn brief van 26 maart 2014 heeft gesteld en ter zitting nader heeft toegelicht, de procedure slechts voort te zetten om ook in hoger beroep een vergoeding van proceskosten en griffierecht te verkrijgen. Appellant wenst niet langer een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Nu appellant geen oordeel meer wenst van de Raad over de aangevallen uitspraak heeft appellant bij een dergelijk oordeel niet langer procesbelang. Nu evenmin procesbelang kan worden ontleend aan de verzochte veroordeling in de proceskosten en griffierecht dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4.3.
Vervolgens wordt bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen, in welk geval, indien het hoger beroep zou zijn ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling mogelijk is.
4.4.
Bij de besluiten van 8 januari 2013 en 5 november 2013 is CIZ niet tegemoetgekomen aan appellant. Deze besluiten zijn genomen naar aanleiding van nieuwe aanvragen om een indicatie, die betrekking hadden op perioden gelegen na de datum van die aanvragen. De indicatie per 12 januari 2011 is bij deze besluiten niet gewijzigd. Van tegemoetkomen door CIZ in de in 4.3 bedoelde zin is daarom geen sprake. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) E. Heemsbergen

TM