ECLI:NL:RBZWB:2026:445

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
23/11087
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPMArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens juiste afschrijvingsmethode en waardering

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de juiste afschrijvingsmethode, de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering wegens schade aan een BMW X5.

De rechtbank oordeelt dat de afschrijving op basis van een taxatierapport mag plaatsvinden omdat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank verwerpt het standpunt van de inspecteur dat de auto essentiële gebreken vertoont, aangezien de RDW de auto heeft goedgekeurd. De waardevermindering wordt vastgesteld op €89, conform het rapport van de hertaxateur.

De rechtbank verwerpt de nieuwe koerslijst die belanghebbende overlegt wegens onvoldoende aannemelijkheid en stelt de historische nieuwprijs vast op €118.701 en de handelsinkoopwaarde op €50.736. Op basis hiervan wordt de verschuldigde BPM vastgesteld op €12.924, waartegenover reeds betaalde BPM staat, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd naar €4.652.

Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens en griffier R.J.M. de Fouw.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd naar €4.652 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11087

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.793.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 31 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X5 XDrive 40I met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.272.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van Vitex Druten B.V. van 28 maart 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 51.643, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 17.758 geconstateerd en daarvan € 15.982 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daarnaast is nog een vermindering van € 3.000 toegepast wegens een correctie “geen oordeel tellerstand RDW”. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 32.661.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 5 april 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 50.825 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft een bedrag aan schade geconstateerd van € 124 en daarvan € 89 (72%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 50.736.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 13.065. Met dagtekening 2 september 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.793 aan verschuldigde Bpm.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de CO2-uitstoot van de auto 200 gr/km is en dat de bruto Bpm € 30.237 bedraagt.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.3.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 17.758 en daarvan 90% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 124 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Nu beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade is de rechtbank van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.4.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet, dat sprake is van essentiële gebreken en dat de auto in deze toestand niet kan zijn goedgekeurd door de RDW. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de auto op 28 maart 2022 is gekeurd door de RDW en dat de auto is goedgekeurd zodat deze mag deelnemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vaststelling beslissend en is het niet aan de inspecteur om daar een andere invulling aan te geven. [2] Dat betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm gebruik kan maken van een taxatierapport.
4.5.
Met betrekking tot de hoogte van de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto bijna drie jaar oud is en 62.819 kilometer heeft gereden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een hoger percentage dan 72% als waardevermindering in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft daarvoor niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Ook neemt de rechtbank geen waardevermindering in aanmerking wegens “geen oordeel tellerstand RDW”. De rechtbank gaat daarom uit van een waardevermindering van € 89, te weten 72% van € 124.
4.7.
De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport hoeven dan geen behandeling meer. Ook het standpunt van de inspecteur dat de forfaitaire afschrijvingstabel moet worden toegepast wordt hiermee verworpen.
Handelsinkoopwaarde en historische nieuwprijs
4.8.
Belanghebbende heeft als tiendagenstuk een nieuwe koerslijst van Xray overgelegd waar zij zich nader op beroept. Uit deze nieuwe koerslijst volgt een historische nieuwprijs van € 120.314 en een handelsinkoopwaarde van € 51.523.
4.9.
De inspecteur heeft deze koerslijst ter zitting gemotiveerd betwist en stelt dat de auto niet voorkomt op een koerslijst en dat onvoldoende rekening is gehouden met de extra opties van de auto.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de nieuwe koerslijst goed is ingevuld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het op basis van de stukken niet duidelijk is geworden wat de uitvoering van de auto is. Ook ter zitting is dit niet duidelijker geworden. De rechtbank laat deze nieuwe koerslijst daarom buiten beschouwing en gaat in dit geval uit van de koerslijst van Xray zoals deze bij het rapport van hertaxatie is gevoegd. Uit deze koerslijst volgt een handelsinkoopwaarde van € 50.825. De rechtbank ziet in hetgeen beide partijen hebben verklaard geen aanleiding om niet van deze koerslijst uit te gaan.
4.11.
Uit de koerslijst van de hertaxateur volgt een netto catalogusprijs van € 73.110. Belanghebbende is in haar beroepschrift ook uitgaan van deze netto catalogusprijs ter onderbouwing van de door haar bepleite historische nieuwprijs. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 118.701 zoals door belanghebbende in haar beroepschrift bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [3]
4.12.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.11 vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4 van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
4.13.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [4] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
4.14.
Gelet op al het vorenoverwogene stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 118.701 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 50.736.
Hoogte naheffingsaanslag
4.15.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 118.701, een handelsinkoopwaarde van € 50.736 en een bruto Bpm van € 30.237 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 12.924. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 8.272 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 4.652. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval interne compensatie toe te passen zoals de inspecteur heeft verzocht.
Immateriële schadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft op 22 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 23 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zes maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 500.
4.18.
Omdat de bezwaarfase afgerond twee maanden heeft geduurd en daarmee niet te lang komt het volledige bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. [5] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.652;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm
2.Hof Amsterdam 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5114; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2426.
4.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten
6.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.