ECLI:NL:RBZWB:2026:4596

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
11656314 \ CV EXPL 25-1325 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:108 BWArt. 3:113 BWArt. 3:306 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop strook grond door gemeente niet onrechtmatig; geen eigendom of verjaring door eiser

Eiser vordert een verklaring voor recht dat hij eigenaar was van een smalle strook grond die de gemeente in 2024 verkocht, al dan niet door verjaring, en verlangt schadevergoeding. Hij stelt dat de strook altijd eigendom was van zijn familie en dat hij deze agrarisch heeft bewerkt tot aan een hek dat in overleg met de gemeente stond.

De gemeente betwist het eigendom en stelt dat de strook altijd gemeentegrond is geweest, dat het agrarisch bewerken onvoldoende is voor bezit, en dat het hek door de gemeente is geplaatst. De gemeente wijst ook op verrekening en betwist onrechtmatig handelen.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende feiten heeft gesteld om eigendom aan te tonen. Ook is niet voldaan aan de voorwaarden voor verkrijgende verjaring, omdat het bezit niet ondubbelzinnig was en het hek niet als bezitshandeling kan worden gezien. De brief van eiser uit 2010 over verjaring is onvoldoende om de gemeente te laten begrijpen dat hij eigendom claimde.

De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De verkoop door de gemeente is niet onrechtmatig en er is geen sprake van verjaring of eigendomsoverdracht aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en bevestigt dat de gemeente eigenaar is van de strook grond.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11656314 \ CV EXPL 25-1325
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.J.A. Braspenning,
tegen
GEMEENTE DRIMMELEN,
te Made,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. F. van de Pol.

1.De zaak in het kort

1.1.
De gemeente heeft in 2024 voor € 1.200,00 een smalle strook grond verkocht aan de bewoners van een naastgelegen woning. [eiser] stelt dat die verkoop tegenover hem onrechtmatig is. Volgens [eiser] was hij eigenaar van die strook, die jarenlang onderdeel uitmaakte van de aan de andere zijde gelegen akker. [eiser] vordert daarom dat de kantonrechter verklaart dat hij eigenaar was van de strook ten tijde van de verkoop en dat de gemeente € 1.200,00 vermeerderd met kosten aan hem als schadevergoeding betaalt. De kantonrechter wijst die vorderingen af. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. J.J.A. Braspenning voor zover deze zijn voorgedragen;
- de spreektaantekeningen van mr. F. van de Pol voor zover deze zijn voorgedragen;
- de (kadastrale) kaarten overgelegd ter zitting door mr. J.J.A. Braspenning;
- de kaarten overgelegd ter zitting door mr. F. van de Pol.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
De ouders van [eiser] waren eigenaar van een perceel landbouwgrond, kadastraal bekend als [perceel 1] .
3.2.
Grenzend aan het perceel met nummer [perceel 1] , ligt een klein strookje, groot 16 centiare, kadastraal bekend als [perceel 2] (hierna: de strook).
3.3.
Op de strook heeft jarenlang een hek gestaan. Dit hek is geplaatst door de gemeente in overleg met [eiser] .
3.4.
[eiser] heeft het perceel met nummer [perceel 1] samen met de strook tot aan het hekwerk agrarisch bewerkt.
3.5.
Sinds 1962 bevond zich ten zuiden van de strook een sportpark. Op een gegeven moment zijn de percelen ten zuiden van de strook verkocht aan een ontwikkelaar. Deze ontwikkelaar heeft de percelen gesplitst en heeft daar een woonwijk gerealiseerd, de [wijk] .
3.6.
In 2002 hebben [eiser] en zijn broer het perceel met nummer [perceel 1] geërfd van hun ouders.
3.7.
In 2003 hebben [eiser] en zijn broer het perceel met nummer [perceel 1] verkocht aan projectontwikkelaar [bedrijf]. Dat perceel is in 2004 geleverd aan [V.O.F.] en [bedrijf] [eiser] bleef na deze levering (tot 2023) een gebruiksrecht houden om het perceel met nummer [perceel 1] agrarisch te bewerken.
3.8.
In 2010 was de gemeente van plan om het hek op de strook te verwijderen. [eiser] was het daar niet mee eens. Op 20 mei 2010 heeft [eiser] daarom een brief aan de gemeente gestuurd. In die brief staat onder meer:

Langs deze weg wil ik u er ook op wijzen dat het verwijderen van de afrastering op gemeentelijk openbaar grondgebied als consequentie heeft dat ook het landbouwperceel waarvan ik mede eigenaar ben legaal betreden kan worden door derden. Dit is reeds 34 jaar niet meer mogelijk, aangezien in onderling overleg de afrastering geplaatst en in functie is sinds 1976. Hierbij constateer ik dat uw éénzijdig besluit t.b.v. het verwijderen van deze afrastering in strijd is met de wettelijke bepalingen. Ik beroep mij dan ook opverjaringdaar de afrastering reeds 34 jaar in functie is.
3.9.
De gemeente heeft het hek vervolgens laten staan.
3.10.
De gemeente heeft op 5 juni 2024 de strook verkocht aan de bewoners van de [adres] , dat aan de andere kant van de strook ligt. De koopprijs was € 1.200,00. De strook is door de gemeente aan hen op 4 juli 2024 geleverd, waarna zij de strook bij hun tuin hebben betrokken.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat -, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Een verklaring voor recht dat [eiser] op vijf juni 2024, de datum waarop de gemeente een koopovereenkomst sloot met [familie 1] , eigenaar was, al dan niet door verjaring, van de onroerende zaak kadastraal bekend als [perceel 2] , groot zestien centiare;
De gemeente te veroordelen om € 1.200,00 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024;
De gemeente te veroordelen om aan [eiser] de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van € 180,00 te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;
De gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de strook zijn eigendom was en dat de gemeente daarom de strook onrechtmatig heeft verkocht aan de bewoners van de [adres] . Primair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de strook altijd eigendom is geweest van de [familie 2] . Subsidiair beroept [eiser] zich op verjaring. Hij heeft de strook altijd agrarisch bewerkt tot aan het hek dat volgens [eiser] in 1962 is geplaatst en waarvan het gaas in 1976 is vernieuwd.
4.3.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
De gemeente betwist dat [eiser] eigenaar was of door verjaring is geworden. Het enkel agrarisch bewerken van een perceel is niet voldoende als bezitsdaad. Het hekwerk is door de gemeente in overleg met [eiser] geplaatst. Verder wijst de gemeente er op dat niet meer valt af te leiden waar het hek precies heeft gestaan en welk deel van de strook door [eiser] agrarisch is bewerkt. De gemeente betwist bovendien dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en betwist ook dat [eiser] schade heeft geleden. Zij wist ten tijde van de verkoop van de strook niet van de eigendomsclaim van [eiser] en als [eiser] eigenaar is, kan hij de kopers van de strook nog aanspreken. Ten slotte beroept de gemeente zich op verrekening. Als sprake was van bezit en verjaring, was het in bezitnemen van de strook onrechtmatig tegenover de gemeente. De gemeente kan die vordering uit onrechtmatige daad verrekenen met de gestelde vordering van [eiser] .
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Primaire standpunt: altijd eigenaar geweest van de strook
5.1.
Ter zitting heeft [eiser] verduidelijkt dat hij primair stelt dat hij (althans zijn ouders) altijd eigenaar van de strook zijn geweest. Volgens [eiser] is er in het verleden grond geruild en is daar een knip gezet, maar is dat nooit vastgelegd. De strook is pas ergens na 2002 kadastraal geregistreerd en op naam van de gemeente gezet. Het idee en de feitelijke situatie is altijd zo geweest dat de strook eigendom van de [familie 2] was. [eiser] wijst er op dat op oudere kadastrale kaarten de strook niet is te zien.
5.2.
De gemeente betwist dat de strook altijd eigendom is geweest van [familie 2] . De gemeente wijst er op dat de strook bij notariële akte is overgedragen aan de eigenaren van de [adres] . De notaris zal gecontroleerd hebben of de strook eigendom is van de gemeente. Dat de strook pas later een kadastraal nummer heeft gekregen, is niet vreemd. De strook behoorde tot één perceel. Alles ten zuiden van de strook is op een gegeven moment verkocht aan een ontwikkelaar. Er zijn toen verschillende percelen gesplitst en kadastraal vernummerd. De strook is toen kadastraal ontstaan, maar is altijd gemeentegrond geweest.
5.3.
De stelplicht dat de [familie 2] altijd eigenaar is geweest van de strook, rust op [eiser] . Dat betekent dat hij voldoende feiten moet stellen en, als deze worden betwist, nader moet onderbouwen waaruit volgt dat hij altijd eigenaar is geweest van de strook. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] dat onvoldoende heeft gedaan. Uit het enkele feit dat de strook later – ergens na 2002 – pas een kadastraal nummer heeft gekregen, volgt niet dat [eiser] altijd eigenaar is geweest. De gemeente heeft dat gemotiveerd betwist door te wijzen op de vele kadastrale splitsingen en de vernummering door de ontwikkelingen in het gebied. De kaarten die [eiser] ter zitting heeft overgelegd, onderbouwen zijn standpunt daarom onvoldoende. De stelling van [eiser] dat het Kadaster ergens na 2002 grond van [eiser] heeft ingetekend en op naam van de gemeente heeft gezet, is niet onderbouwd. Dat [eiser] dit gelet op de oude kadastrale kaarten ‘niet kan uitsluiten’, is onvoldoende.
Subsidiaire standpunt: [eiser] is door verjaring eigenaar geworden
5.4.
Subsidiair stelt [eiser] dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook. Hij wijst ter onderbouwing van deze stelling op drie feiten/omstandigheden:
- In 1962 is in overleg met de gemeente, door de gemeente een hek geplaatst op de zuid-west-zuid zijde van de strook op de grens met het huidige perceel nummer [perceel 3] ( [adres] ). De gemeente heeft dit hek ook altijd als de grens gezien, gelet op bijvoorbeeld de brief van de gemeente van 2 mei 2013 waarin zij schrijft “
Het hekwerk is de omheining van een agrarisch terrein. [1] Ook wijst hij op een brief van de gemeente van 19 maart 2010, waarin staat: “
Door het verschil in gebruik van de beide erven is duidelijk waar de erfgrens loopt hetgeen afdoende is. [2]
  • De strook was enkel via het perceel van [eiser] met nummer [perceel 1] bereikbaar.
  • [eiser] heeft de strook jarenlang agrarisch bewerkt en daar verschillende gewassen op geteeld. Er werd geploegd tot aan de paal.
[eiser] wijst er verder op dat hij zich in zijn brief van 20 mei 2010 [3] op verjaring heeft beroepen.
5.5.
Op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) wordt een bezitter die te goeder trouw tien jaar het onafgebroken bezit van een onroerende zaak heeft, eigenaar van die onroerende zaak (verkrijgende verjaring). Uit artikel 3:105 lid 1 BW Pro in samenhang met artikel 3:306 BW Pro volgt dat een bezitter, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw, na 20 jaar het eigendom verkrijgt (bevrijdende verjaring). Voor verjaringen die zijn aangevangen onder het oude recht (vóór 1 januari 1992) geldt daarnaast dat de bevrijdende verjaring en de termijn van 20 jaar pas vanaf 1 januari 1993 kan zijn voltooid. [4]
5.6.
Voor zowel de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring is bezit van – in dit geval – de strook nodig. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (artikel 3:113 lid 2 BW Pro). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro). Voor inbezitneming van ‘publieke grond’ geldt geen afzonderlijke maatstaf. Wel brengt de rol van de verkeersopvatting brengt dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. [5]
5.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] ook onvoldoende heeft gesteld dat hij bezitter is (geweest) van de strook. Het enkele feit dat er een hek stond en dat de strook alleen via het perceel van [eiser] kon worden bereikt, is in dit geval onvoldoende. Het plaatsen van het hek kan niet worden gezien als een bezitsdaad van [eiser] , omdat niet [eiser] , maar de gemeente het hek heeft geplaatst. Het hek is bovendien in overleg geplaatst. De gemeente hoefde gelet hierop niet te begrijpen dat [eiser] na de plaatsing van het hek zou pretenderen bezitter te worden van de strook. [6] Anders dan [eiser] stelt, volgt uit de door hem aangehaalde brieven van de gemeente ook niet dat de gemeente meende dat het hek de erfgrens was en dat de strook dus tot het perceel van [eiser] behoorde. De kantonrechter leest dit niet in de citaten in samenhang met de rest van de brieven. Die brieven gaan niet over de eigendom van de strook, maar over de vraag of het door de gemeente geplaatste hek blijft staan. Bovendien schrijft de gemeente in haar brief van 19 maart 2010 ook “
De grond waar het onderhavige hek op staat behoort volledig in eigendom toe aan de gemeente.”.
5.8.
Ook het jarenlang agrarisch bewerken van de strook is in dit geval onvoldoende. Het agrarisch bewerken moet in het licht van de omstandigheden in deze zaak worden gezien als enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen waaruit de gemeente niet hoefde af te leiden dat [eiser] meende eigenaar te zijn. [eiser] heeft de akker naar eigen zeggen bebouwd tot aan het hek dat de gemeente in overleg met [eiser] heeft geplaatst. Vanwege dit overleg, hoefde de gemeente uit het enkele feit dat [eiser] de akker daarna is gaan bebouwen tot aan het hek niet te begrijpen dat [eiser] pretendeerde eigenaar te zijn. De kantonrechter merkt daarnaast op dat het gaat om een smalle groenstrook waarbij het onduidelijk is gebleven, waar het hek precies heeft gestaan en welk deel van die strook [eiser] precies bewerkt heeft.
5.9.
[eiser] stelt ten slotte dat de gemeente in ieder geval door zijn brief van 20 mei 2010 op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat hij pretendeerde eigenaar te zijn van de strook. [eiser] was naar eigen zeggen bovendien te goeder trouw nu zijn familie sinds de realisatie van het sportpark en de plaatsing van het hek, de strook in bezit had gekregen van de gemeente. Ook die stellingen van [eiser] zijn onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter leest in de brief van 20 mei 2010 weliswaar het woord ‘verjaring’, maar die brief gaat er vooral over dat [eiser] van mening is dat de gemeente het hekwerk na al die jaren niet zomaar kan verwijderen. Gelet op de verdere inhoud van de brief hoefde de gemeente niet te begrijpen dat [eiser] in deze brief een beroep doet op verjaring van de strook. [eiser] heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat hij te goeder trouw was. Uit niets blijkt dat de gemeente met de plaatsing van het hek – in overleg – het bezit van de strook aan [eiser] heeft gegeven. [eiser] had dat ook niet zo mogen begrijpen.
5.10.
Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
5.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
651,00
(3 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
759,50
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 759,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 5 bij dagvaarding.
2.Productie 9 bij conclusie van repliek.
3.Productie 5 bij dagvaarding.
4.Artikel 73 lid 2 en Pro artikel 93 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek.
5.HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606, r.o. 3.2.
6.Vergelijk de conclusie van A-G Bartels, Parket bij de Hoge Raad, 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:255, randnummer 4.14.