Conclusie
eisersrespectievelijk
de Gemeente(verweerster in cassatie).
1.Inleiding
het Woonperceel) grenzende strook grond (hierna:
Kavel B). [1] De Gemeente was eerder eigenaar van het Woonperceel en verhuurde dat tot 1999 aan de burgemeester (hierna:
de burgemeester). De Gemeente heeft het Woonperceel in 1999 overgedragen aan een echtpaar (hierna:
de voormalige eigenaren), dat de eigendom in 2007 aan eisers heeft overgedragen. Eisers vorderen een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn geworden van Kavel B. De Gemeente vordert op haar beurt een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van Kavel B en vordert ontruiming daarvan door eisers. Rechtbank en hof hebben de vordering van eisers afgewezen en die van de Gemeente toegewezen. Het hof heeft geoordeeld dat het beroep op verkrijging van de eigendom van Kavel B door verjaring faalt, omdat niet blijkt dat de Gemeente het bezit ervan heeft verloren. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de burgemeester het Woonperceel samen met Kavel B van de Gemeente huurde en de kavel gebruikte als onderdeel van de tuin bij de gehuurde woning op het Woonperceel, dat de Gemeente na de eigendomsoverdracht in 1999 volgens de uitdrukkelijke verklaring in de notariële leveringsakte eigenaar bleef van “de boomgaard naast de garage” (Kavel B), en dat door deze verklaring duidelijk is dat de voormalige eigenaren Kavel B als onderdeel van de tuin gebruikten omdat zij daarvoor
toestemminghadden gekregen van de Gemeente. De voormalige eigenaren, zo oordeelde het hof, hadden klaarblijkelijk niet de pretentie eigenaar van Kavel B te zijn. Het hof heeft verder overwogen dat eisers niet hebben toegelicht dat in dit gedrag op enig moment vóór 2007 verandering kwam, zodat de twintigjaarstermijn van art. 3:306 BW Pro op het moment van betekening van de inleidende dagvaarding nog niet was verlopen. Het hof heeft verder overwogen dat “los daarvan” eisers de Gemeente hebben verzocht om Kavel B te mogen kopen, en dat zij daarmee duidelijk hebben gemaakt dat zij zich niet als eigenaar daarvan beschouwden. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat het hof heeft miskend dat voor het aannemen van bezit doorslaggevend is of de feitelijke gedragingen van de gebruiker naar verkeersopvattingen moeten worden aangemerkt als het zich gedragen als bezitter, dat het daarbij aankomt op naar buiten toe kenbare feiten en gedragingen die objectief beoordeeld moeten worden, en dat verklaringen van een partij aan een wederpartij, waaronder vermeldingen in een tussen hen opgemaakte akte, derhalve niet bepalend zijn.
2.Feiten
Bijzondere bepaling koopovereenkomst
BIJZONDERE BEPALINGEN KOOPOVEREENKOMST
de rechtbank). Eisers hebben gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventiede vorderingen van eisers afgewezen en
in reconventiede vorderingen van de Gemeente toegewezen, met veroordeling van eisers in de proceskosten en in de nakosten. [12]
Inbezitneming’ de stelling van eisers dat de voormalige eigenaren en/of zij het bezit van (onder meer) Kavel B hebben verkregen door inbezitneming, verworpen. De rechtbank oordeelde als volgt:
Bezitsoverdracht’:
koper is bekend met het feit dat de kadastrale grenzen en de feitelijke gebruiksgrenzen van het verkochte niet overeenkomen. Thans heeft verkoper een bij partijen genoegzaam bekend aantal m2 grond om niet in gebruik van de gemeente Wierden . (…)”. Ook hieruit kan niet anders dan worden afgeleid dan dat [de Gemeente] aan [de voormalige eigenaren] kenbaar heeft gemaakt eigenaar te zijn van kavel B, en dat zij kavel “slechts” om niet aan [de voormalige eigenaren] in gebruik heeft gegeven. Dat, zoals [eisers] hebben betoogd, uit het als productie ingebrachte filmfragment van de voormalig burgemeester en zijn echtgenote blijkt dat ook zij de kavels A en B zagen als hun “eigen tuin”, maakt het voorgaande niet anders nu (ook) zij als huurders van beide kavels (en dus houders) moeten worden aangemerkt. Nu [de voormalige eigenaren] het gebruik van de kavels hierna op dezelfde wijze hebben voortgezet, geldt dat enkel de conclusie kan worden getrokken dat [de voormalige eigenaren] dienen te worden aangemerkt als houders van zowel kavel A als kavel B.
het hof). Zij hebben, na wijziging van hun eis, gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en, uitvoerbaar bij voorraad:
primair: voor recht verklaart dat het perceel grond kadastraal bekend: [gemeente] , sectie B, nummer [001] [Kavel B] in eigendom aan eisers toebehoort; althans
subsidiair: de Gemeente veroordeelt Kavel B binnen 30 dagen na het arrest, tegen een redelijke prijs voor tuingrond (niet zijnde bouwgrond), aan eisers te koop aan te bieden, bij gebreke waarvan de Gemeente een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke dag dat zij niet voldoet aan deze veroordeling; althans
meer subsidiair: voor recht verklaart dat er door verjaring ten laste van Kavel B en ten behoeve van het perceel grond kadastraal bekend onder: [gemeente] , Sectie B, perceelnummer [002] [het Woonperceel] een erfdienstbaarheid is ontstaan die inhoudt een recht om kavel B als tuin te gebruiken; althans
nog meer subsidiair: de Gemeente veroordeelt om Kavel B binnen 30 dagen na het arrest tegen een redelijke prijs voor tuingrond (niet zijnde bouwgrond) aan eisers te huur aan te bieden voor onbepaalde tijd, al dan niet met uitsterfconstructie, bij gebreke waarvan de Gemeente een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke dag dat zij niet voldoet aan deze veroordeling; althans
uiterst subsidiair: voor recht verklaart dat eisers door verjaring het recht van gebruik hebben verkregen van Kavel B; en
in alle gevallen: de Gemeente in haar vorderingen in reconventie niet ontvankelijk verklaart, althans die vorderingen afwijst, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.
er is niet gebleken van inbezitneming van Kavel B
de boomgaard naast de garage’, waarmee Kavel B is bedoeld. Deze tekst wordt immers gevolgd door de mededeling dat deze boomgaard ‘
eigendom blijft van verkoopster’. Door deze verklaring is duidelijk dat [de voormalige eigenaren] Kavel B als onderdeel van de tuin gebruikte[n] omdat [zij] daar toestemming voor had[den] gekregen van de Gemeente, al of niet in de vorm van een huurovereenkomst. [De voormalige eigenaren] had[den] klaarblijkelijk niet de pretentie de eigenaar van die kavel te zijn. Door hekken om Kavel B te plaatsen gedroegen zij zich als houder van die kavel. Dat in dit gedrag op enig moment vóór 2007 verandering kwam, hebben [eisers] niet toegelicht. Zij zijn in 2007 eigenaar geworden, zodat de 20-jaarstermijn van artikel 3:306 BW Pro nog niet was verlopen toen zij op 19 juli 2022 de dagvaarding in eerste aanleg bij de Gemeente lieten bezorgen. En los daarvan hebben zij de Gemeente meermalen verzocht om de kavel te mogen kopen, waarmee zij de Gemeente duidelijk hebben gemaakt dat zij zich niet als eigenaar van die kavel beschouwden. De Gemeente hoefde geen actie te ondernemen om te voorkomen dat zij haar eigendomsrechten zou verliezen. Van inbezitneming is niet gebleken, laat staan van overdracht van bezit.
Nota uitgifte beleid openbaar groendie [eisers] […] hebben overgelegd en waarop [eisers] zich beroepen blijkt niet van het beleid van de Gemeente om percelen als Kavel B te koop of te huur aan te bieden. De Nota is namelijk geschreven voor gevallen waarin openbaar groen illegaal in gebruik is genomen en van illegaal gebruik van Kavel B is geen sprake, zoals volgt uit rechtsoverweging 3.8. Van ander beleid op grond waarvan [eisers] aanspraak kunnen maken op de eigendom van of een beperkt gebruiksrecht met betrekking tot Kavel B is evenmin gebleken. De Gemeente mag pas tot uitgifte van Kavel B overgaan nadat zij de procedure van de Didam-arresten heeft gevolgd. Anderen dan [eisers] hebben recht op gelijke kansen om het perceel te kunnen kopen of huren. Hier komt nog bij dat Kavel B geschikt is voor woningbouw en dat het beleid van de Gemeente erop gericht is om bij uitgifte van dergelijke kavels een bouwplicht op te leggen, dit terwijl [eisers] het perceel uitsluitend willen blijven gebruiken als onderdeel van hun tuin. Ook de meer subsidiaire vorderingen zijn ongegrond. […]”
het arrest). De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Gemeente heeft haar standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. Eisers hebben gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
objectieve maatstaf: het gaat erom of naar algemene maatstaven uit gedragingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. [17] De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. [18] De verwijzing in art. 3:108 BW Pro naar ‘de navolgende regels’ brengt onder meer mee dat een belangrijke rol is weggelegd voor de rechtsverhouding tussen de rechthebbende en degene die een zekere mate van feitelijke macht uitoefent. Kort gezegd volgt uit art. 3:110 BW Pro dat iemand die met toestemming van de rechthebbende gebruik maakt van een goed (bijvoorbeeld op grond van huur, bruikleen, vruchtgebruik of een ‘onbenoemde’ toestemming) [19] dat goed niet voor zichzelf houdt, maar voor de ander. De ‘gebruiker met toestemming’ is dus in beginsel geen bezitter en zal daarom niet door verjaring rechthebbende kunnen worden. [20] Indien het gebruik plaatsvindt zonder toestemming, dan moet naar verkeersopvatting beoordeeld worden, met inachtneming van art. 3:113 BW Pro, of de uiterlijke feiten meebrengen dat iemand zich heeft gedragen als rechthebbende van een bepaald goed. Beoordeeld moet worden of uit alle omstandigheden van het geval,
in samenhang bezien, volgt dat naar verkeersopvatting sprake is van (in)bezit(neming) en dat (daarmee) het bezit van de oorspronkelijke bezitter is geëindigd. Bij de toepassing van art. 3:108 BW Pro gaat het er dus niet om of een bepaalde handeling ‘op zichzelf’, dus los van de overige omstandigheden, is aan te merken als bezitsdaad. [21] Hoewel dit niet (meer) expliciet uit de wettekst blijkt, ligt in het begrip ‘bezit’ besloten dat dit openbaar en ondubbelzinnig is. [22] Er is sprake van ‘niet-dubbelzinnig bezit’ wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [23]
overgedragen(art. 3:114 BW Pro). De rechtsopvolger van een houder kan, aldus de Hoge Raad, slechts bezitter zijn geworden als gevolg van hetzij een handeling van de eigenaar, hetzij door een tegenspraak van het recht van de eigenaar (art. 3:111 BW Pro). Dit betekent dat, als de rechtsvoorganger geen bezitter van het grondstuk was, het (exclusieve) gebruik van die grond door de rechtsopvolger op zichzelf geen bezit is. [24] Dit sluit in zekere zin aan bij een passage in de parlementaire geschiedenis waar in het kader van het zogenoemde interversieverbod wordt opgemerkt dat niemand zijn bezit kan verliezen zonder dat hij dit kan merken of zonder dat er uiterlijk iets verandert. [25] Het komt erop neer dat het gedrag van de oorspronkelijke houder of diens rechtsopvolger als een inbezitneming te kwalificeren moet zijn. [26] Over dit arrest zijn nog wel de nodige vervolgvragen te stellen, bijvoorbeeld in relatie tot de algemeen erkende mogelijkheid dat een houder bezit kan verschaffen, [27] maar ik laat die nu even voor wat ze zijn.
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel in r.o. 3.6 dat het beroep op de overgang van de eigendom door verjaring faalt, omdat “niet blijkt dat de Gemeente het bezit van Kavel B heeft verloren,” en de volgende passages in r.o. 3.8 die het hof (mede) aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd:
de boomgaard naast de garage’, waarmee Kavel B is bedoeld. Deze tekst wordt immers gevolgd door de mededeling dat deze boomgaard ‘
eigendom blijft van verkoopster’. […] Door hekken om Kavel B te plaatsen gedroegen [de voormalige eigenaren] zich als houder van die kavel. […]”
subonderdeel 1.2onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu zonder nadere toelichting niet valt in te zien hoe de tekst van de leveringsakte kan bijdragen aan het oordeel dat geen sprake is geweest van naar verkeersopvattingen als bezit te kwalificeren gedragingen van de kant van de voormalige eigenaren.
in samenhang metde andere feiten om te komen tot de kwalificatie houderschap of bezit. Hierbij speelt ook (of: juist) een niet voor derden kenbare afspraak over het gebruik een rol (art. 3:108 BW Pro in verband met art. 3:110 BW Pro). Het gaat erom dat
de rechthebbendeuit het gedrag van de ander moet kunnen afleiden dat deze pretendeert eigenaar te zijn. Onmiskenbaar heeft het hof de tekst van de leveringsakte van 2 juli 1999 zo uitgelegd, dat hierin ligt besloten dat het echtpaar (de voormalige eigenaren) het eigendomsrecht van de gemeente erkende, dat er door de gemeente toestemming is gegeven voor gebruik en dat het echtpaar derhalve in 1999 houder is geworden van Kavel B. Met de opmerking van het hof dat niet is toegelicht dat in het gedrag als houder op enig moment vóór 2007 verandering kwam, wordt klaarblijkelijk gerefereerd aan het interversieverbod van art. 3:111 BW Pro. Het middel verwijst niet naar vindplaatsen in de processtukken waar eisers aanvullende feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht. Dat het hof zelfstandig aan de hand van andere vaststaande feiten en omstandigheden en door middel van uitleg van de notariële leveringsakte van 2 juli 1999 heeft beoordeeld of (toch) sprake is geweest van inbezitneming, acht ik dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik er op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2023 [29] heeft overwogen en geoordeeld:
voor de beoordeling of (de rechtsvoorgangers van) [eisers in die zaak] de strook grond in bezit hebben genomen weliswaar van belang kan zijn of zij die strook ontoegankelijk hebben gemaaktvoor (de rechtsvoorgangers van) [verweerders],
maar dat dit niet beslissend is. […].”
huurde het Woonperceel samen met Kavels A en B van de Gemeenteen gebruikte die kavels als onderdeel van de tuin bij de gehuurde woning.”
tweede onderdeelis gericht tegen het volgende oordeel in r.o. 3.8:
Subonderdeel 2.1bevat de klacht dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel herhaalt dat voor het aannemen van bezit doorslaggevend is of de naar buiten toe kenbare feiten en gedragingen, die objectief beoordeeld moeten worden, dienen te worden aangemerkt als het zich gedragen als bezitter. Volgens het subonderdeel zijn mededelingen van een partij aan een wederpartij niet naar buiten toe kenbaar en zien zij “ook overigens niet op gedragingen van een vermeende bezitter ten aanzien van het gebruik van de onderhavige zaak.” Bovendien, zo vervolgt het subonderdeel, gaat het hier om een ten opzichte van de vermeende bezitsdaden veel latere mededeling. Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de Gemeente in of omstreeks 1999 het bezit van Kavel B heeft verloren aan de voormalige eigenaren, dan kan de latere verklaring van eisers uit 2021 [38] volgens het subonderdeel in zoverre niet afdoen aan dat bezitsverlies, zeker niet na voltooiing van de verjaringstermijn. Volgens het subonderdeel miskent het hof een en ander door “(doorslaggevend) gewicht toe te kennen” aan de verzoeken van eisers om Kavel B te mogen kopen.”
subonderdeel 2.2onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien hoe een verzoek aan de wederpartij om een zaak te kopen kan bijdragen aan naar (objectief te beoordelen) buiten toe kenbare feiten en gedragingen van “(de rechtsvoorgangers van) eisers.”
zou vaststaandat er op enig aanwijsbaar moment juridisch gezien sprake is geweest van inbezitneming van Kavel B, dan is de verjaringstermijn een dag later aangevangen. In de onderhavige procedure is tussen partijen evenwel in geschil
ofer in het verleden wel sprake is van geweest van inbezitneming. Dit is een voorvraag die moet worden beantwoord. Bij de beantwoording van die vraag kon het hof naar mijn mening acht slaan op stellingen die eisers buiten de procedure tegenover de Gemeente hebben ingenomen. Eisers hebben de Gemeente in een brief van 27 september 2021 [39] geschreven:
middels een bruikleenovereenkomst zoals vastgelegd in de koopakte van onze woning. Wij willen graag de kadastrale grenzen van ons perceel in overeenstemming brengen met de feitelijke gebruiksgrenzen en derhalve beide stukken openbaar kopen van de gemeente. […]
gebruik ‘om niet’omzetten in koop. […]”
derde onderdeelis gericht tegen de volgende oordelen in r.o. 3.8 en 3.12:
de boomgaard naast de garage’, waarmee Kavel B is bedoeld. Deze tekst wordt immers gevolgd door de mededeling dat deze boomgaard ‘
eigendom blijft van verkoopster’. Door deze verklaring is duidelijk dat [de voormalige eigenaren] Kavel B als onderdeel van de tuin gebruikte[n] omdat [zij] daar toestemming voor had[den] gekregen van de Gemeente, al of niet in de vorm van een huurovereenkomst. [De voormalige eigenaren] had[den] klaarblijkelijk niet de pretentie de eigenaar van die kavel te zijn. Door hekken om Kavel B te plaatsen gedroegen zij zich als houder van die kavel.
Nota uitgifte beleid openbaar groendie [eisers] […] hebben overgelegd en waarop [eisers] zich beroepen blijkt niet van het beleid van de Gemeente om percelen als Kavel B te koop of te huur aan te bieden. De Nota is namelijk geschreven voor gevallen waarin openbaar groen illegaal in gebruik is genomen en van illegaal gebruik van Kavel B is geen sprake, zoals volgt uit rechtsoverweging 3.8. […]”
waarvandie toestemming is verleend. Het onderdeel stelt dat in de leveringsakte uit 1999, “waarin slechts is bepaald dat de Gemeente “eigenaar blijft van de strook grond”,” geen enkele aanwijzing is te vinden voor een verleend gebruiksrecht (om baat dan wel om niet) aan de voormalige eigenaren, en dat ook elders in de gedingstukken een expliciete of impliciete toestemming van de Gemeente ontbreekt. Volgens het onderdeel is daarom zonder nadere toelichting onbegrijpelijk waarom het hof tot het oordeel komt dat van “illegaal gebruik” geen sprake is geweest.
nietbestreden. Gelet daarop kan worden betoogd dat de klacht reeds faalt, omdat eisers daarbij geen belang hebben. Ook indien er bij wijze van veronderstelling vanuit wordt gegaan dat de ‘Nota uitgifte beleid openbaar groen’ wel van toepassing is, geldt immers (i) dat de procedure van de Didam-arresten moet worden gevolgd en (ii) dat de subsidiaire vorderingen van eisers niet voor toewijzing in aanmerking kunnen/zullen komen (gelet op het beleid van de Gemeente en de eigen stellingen van eisers met betrekking tot het voorgenomen gebruik van Kavel B).