ECLI:NL:RBZWB:2026:46

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
25/2098
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van bijstandsuitkering na schending van de inlichtingenplicht

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. A. Darrazi, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. De zaak betreft de terugvordering van een bijstandsuitkering die eiser heeft ontvangen. Eiser ontving sinds 14 maart 2019 een bijstandsuitkering, maar na een anonieme melding over zijn woonsituatie heeft het college een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot de conclusie dat eiser zijn bijstandsuitkering ten onrechte heeft ontvangen, omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn woning onder te verhuren. Het college heeft de bijstandsuitkering herzien en terugvordering ingesteld voor een bedrag van € 11.648,12 over de periode van 1 december 2023 tot en met 31 augustus 2024. Eiser heeft hiertegen beroep aangetekend, maar de rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, aangezien eiser zelf verantwoordelijk is voor de schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de terugvordering van de bijstandsuitkering blijft staan. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2098 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Darrazi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het terugvorderingsbesluit van het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 de uitkering van eiser herzien over de periode van 1 december 2023 tot en met 30 augustus 2024, ingetrokken per 1 december 2023 en bepaald dat de te veel verstrekte uitkering terugbetaald moet worden over de periode van 1 december 2023 tot en met 30 november 2024. Met het besluit van 17 oktober 2024 (primair besluit I) heeft het college het besluit van 3 oktober 2024 herzien en het volgende gewijzigd: de uitkering wordt herzien over de periode van 1 december 2023 tot en met 31 augustus 2024. De rest blijft ongewijzigd. Met het besluit van 18 oktober 2024 (primair besluit II) is de hoogte van de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 1.523,27 over de periode van 1 december 2023 tot en met 31 december 2023 (bruto) en € 10.124,85 over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 augustus 2024 (netto).
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college bepaald dat de herziening komt te vervallen en de terugvordering wordt beperkt tot en met 31 augustus 2024. Voor het overige is het college bij de primaire besluiten gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. N.C.J.P. Melsen namens het college. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt sinds 14 maart 2019 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding op 13 augustus 2024, waarin werd vermeld dat eiser bij zijn partner in [plaats] zou wonen en hij zijn eigen woning zou onderverhuren, heeft het college op 20 augustus 2024 onderzoek ingesteld. Op het verzoek van het college is de Woningbouwvereniging op 5 september 2024 op het inschrijfadres van eiser ([adres]) langsgegaan. Daar troffen zij een Poolse man aan. Hij verklaarde dat hij daar samen met een andere Poolse man een kamer huurde, ieder voor € 500,- per maand. Daarnaast is een buurtonderzoek gestart. Op 6 september 2024 is aangebeld bij de buren op [huisnummer 1]. De bewoner verklaarde dat er een Pools/Oost-Europese vrouw met een hond woont. De vrouw zou er nog niet zo lang wonen. Daarvoor woonde er sinds de bewoner van [huisnummer 1] er zelf is komen wonen (april 2023) niemand op het adres. Op 9 september 2024 heeft de Woningbouwvereniging een verklaring van een onderhuurder ontvangen waarin staat opgenomen dat diegene sinds december 2023 de woning onderhuurt. Het college heeft eiser verzocht bankafschriften van 1 juni 2024 tot 10 september 2024 mee te nemen naar het gesprek. Deze heeft eiser op 14 september 2024 ingeleverd. De afschriften van 2 tot 10 september 2024 ontbraken. Op 18 september heeft vervolgens een telefonisch afspraak met eiser plaatsgevonden. Daarin heeft eiser verklaard last te hebben van trauma’s en paniekaanvallen. Eiser durfde niet meer naar buiten en voelde zich onveilig door een akkefietje met de onderbuurman. Om die reden is eiser ingetrokken bij zijn vriendin per september 2023. Eiser heeft zijn woning sinds december 2023 onderverhuurd aan een kennis van de bewoners van [huisnummer 2]. Daarbij gaf eiser in het gesprek aan dat hij wist dat hij een risico nam en dat het illegaal was. Op 7 oktober 2024 heeft eiser de huur opgezegd.
4. Naar aanleiding van het voorgaande is het college tot de besluiten gekomen zoals opgenomen onder procesverloop.
Het standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat er sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hij heeft schulden overgehouden aan de verhuurperiodes. Bovendien heeft hij zich in februari 2025 gewend tot een bewindvoerder om zijn schuldenproblematiek in kaart te brengen en om hulp te ontvangen voor zijn financiële problemen. De bewindvoerder is echter recentelijk uitgevallen, waardoor zijn aanvraag niet in behandeling is genomen. De schuldeisers blijven zich echter melden, waardoor eiser ook enorme stress ervaart. Eiser heeft geen werk en geen uitkering, waardoor hij niet in staat is om zijn vaste kosten te betalen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep stukken overgelegd met betrekking tot zijn openstaande schulden bij Brabant Water, Energiedirect, Ennatuurlijk, FBTO Zorgverzekeringen en KPN.
Waar gaat het in deze zaak over?
6. De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de intrekking van eisers bijstandsuitkering per 1 december 2023 vanwege schending van de inlichtingenplicht niet in geschil is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Heeft het college moeten afzien van terugvordering?
7. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (PW) is het college verplicht de te veel betaalde uitkering terug te vorderen als de betrokkene de inlichtingenplicht heeft geschonden. Dit is alleen anders als er sprake is van een dringende reden. Gelet op recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] moet de dringende reden van artikel 58, achtste lid, van de PW ruim worden uitgelegd. De CRvB overweegt dat de wetgever de bijstandverlenende instantie een discretionaire bevoegdheid heeft gegeven door te bepalen dat de bijstandverlenende instantie geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Bij de gebruikmaking daarvan moet de bijstandverlenende instantie een belangenafweging maken. Dat brengt mee dat het besluit om van die bevoegdheid gebruik te maken moet zijn gebaseerd op een evenwichtige belangenafweging. Tegenover het belang van de overheid bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van wat te veel ontvangen is, staat het belang van de betrokkene dat hij door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt. In dat verband moet naar het oordeel van de CRvB niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaken daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van de bijstandverlenende instantie is in het ontstaan van de feitelijke grondslag van de terugvordering. Van belang is ook het aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid of een situatie waarin de betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij de belangenafweging moet de bijstandverlenende instantie zich ook nog steeds rekenschap geven van de gevolgen die de terugvordering voor de betrokkene heeft.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij de afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Daarbij is van belang dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, waarbij geldt dat het college geen aandeel heeft gehad in de ontstane situatie. Na ontvangst van de melding heeft het college voldoende voortvarend gehandeld door binnen een week een onderzoek te starten. Het terugvorderingsbedrag is dus ook niet onnodig hoog opgelopen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de terugvordering van de te veel verkregen bijstand in beginsel een noodzakelijk en geschikt middel is om het doel te bereiken dat gemeenschapsgeld op een rechtvaardige wijze besteed wordt. Het besluit om niet van terugvordering af te zien, getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. De afweging die het college maakt, kan een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan. De omstandigheid dat eiser het hierdoor financieel moeilijk(er) zal krijgen, is hoewel voorstelbaar, op zichzelf bezien niet voldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen. Het uitgangspunt is namelijk dat financiële gevolgen van de terugvordering zich pas voordoen bij de invordering of verrekening en dan geldt de bescherming van de beslagvrije voet. Ter zitting is gebleken dat het college nog niet tot invordering is overgegaan, omdat eiser niet over inkomen beschikt. Het college heeft verder ook in de aanvullende stukken die eiser heeft overgelegd geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien of het terugvorderingsbedrag te matigen. Gesteld noch gebleken is namelijk dat eisers schulden voortvloeien uit het terugvorderingsbesluit. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat door het terugvorderingsbesluit zijn angstklachten zijn toegenomen, maar ter zitting heeft eiser erkend dat hij dit niet kan onderbouwen met objectieve medische gegevens.
9. Gezien het voorgaande heeft het college de te veel verstrekte uitkering terecht van eiser teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 8 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192