ECLI:NL:RBZWB:2026:4611

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/5367
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WVW 1994Art. 15 WVW 1994Art. 18 WVW 1994Art. 6:16 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen handhaving verzamelverkeersbesluit laadparkeervakken gemeente Gilze en Rijen

Eiser maakte bezwaar tegen het verzamelverkeersbesluit van 22 april 2025 waarbij twee parkeervakken werden gereserveerd voor het opladen van elektrische voertuigen nabij zijn woning. Het college handhaafde dit besluit op 4 september 2025, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde diverse beroepsgronden, waaronder het te laat ontvangen van het advies van de commissie voor bezwaarschriften, vermeende partijdigheid van de voorzitter, de motivering van het besluit, en de belangenafweging tussen het algemeen belang en het parkeerbelang van eiser. De rechtbank oordeelde dat eiser niet in zijn belangen was geschaad door het late advies, dat het college terecht volstond met een verwijzing naar het advies, en dat geen sprake was van partijdigheid.

Voorts stelde de rechtbank vast dat het beroep de werking van het besluit niet schorst en dat het college het besluit mocht uitvoeren. De belangenafweging door het college was zorgvuldig en het algemeen belang bij het uitrollen van laadpunten mocht prevaleren boven het individuele parkeerbelang van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhaven van het verzamelverkeersbesluit is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5376

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, het college
(gemachtigde: mr. N.C.H. Vrijsen).

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 4 september 2025, waarbij het college het verzamelverkeersbesluit van 22 april 2025 heeft gehandhaafd. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat eiser niet benadeeld is door het te laat ontvangen van het advies van de commissie voor bezwaarschriften nu het hem is toegestuurd en hij op grond daarvan aanvullende gronden in deze procedure heeft aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het college bij de motivering van het bestreden besluit mocht volstaan met de enkele verwijzing naar het advies, dat van partijdigheid van de voorzitter van de commissie voor bezwaarschriften niet is gebleken en dat het beroep de werking van het bestreden besluit niet schorst. Ook is de rechtbank van oordeel dat het college het algemeen belang mocht laten prevaleren boven het belang van eiser. Het college heeft het bestreden besluit dus op goede gronden genomen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 22 april 2025 heeft het college per verzamelverkeersbesluit op tien locaties binnen de gemeente Gilze en Rijen twee parkeervakken gereserveerd voor het laden van elektrische voertuigen door het plaatsen van het verkeersbord E8c met onderbord ‘opladen elektrische voertuigen’ (het primaire besluit ).
2.1.
Eiser, wonend aan de [adres] , heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Zijn bezwaar is specifiek gericht tegen het reserveren van twee parkeervakken nabij de locatie [locatie] .
2.2.
Het college heeft op 4 september 2025 de beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar overeenkomstig het advies van de commissie voor bezwaarschriften ongegrond is verklaard (het bestreden besluit). Het primaire besluit is hiermee in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft hier op 15 oktober 2025 beroep tegen ingesteld.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.6.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat hij het advies van de commissie voor bezwaarschriften te laat ontvangen heeft, dat de voorzitter van deze commissie partijdig was bij de hoorzitting in bezwaar en dat het college in de motivering bij het bestreden besluit niet kan volstaan met enkel een verwijzing naar het advies. Daarnaast is eiser van mening dat het college in het bestreden besluit ten onrechte de verkeersbelangen en de doelstelling voor het uitrollen van een netwerk van laadpunten laat prevaleren boven de hoge parkeerdruk. Ook stelt eiser dat het college ten onrechte het bestreden besluit al (gedeeltelijk) heeft uitgevoerd. Het college had volgens eiser de beroepsprocedure moeten afwachten.

Beoordeling door de rechtbank

Het wettelijk kader
4. De relevante wettelijke bepalingen die niet al zijn opgenomen in deze uitspraak, zijn terug te vinden in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het te laat ontvangen van het advies van de commissie voor bezwaarschriften
5. Eiser stelt dat hij het advies van de commissie voor bezwaarschriften te laat ontvangen heeft.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het college alsnog het advies in deze procedure heeft ingebracht en aan eiser heeft toegezonden. Eiser heeft daarop gereageerd met aanvullende gronden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De enkele verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften als motivering bij het bestreden besluit
5.2.
Eiser is van mening dat het college zijn besluiten zelf moet motiveren. Dit moet het college volgens hem niet laten doen door een externe commissie.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een nadere motivering op het advies van de commissie voor bezwaarschriften alleen nodig is indien het college in het bestreden besluit van het advies is afgeweken. Nu het college in het bestreden besluit niet van het advies is afgeweken, mocht het college in de motivering bij het bestreden besluit dus enkel verwijzen naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Partijdigheid voorzitter commissie voor bezwaarschriften
6. Eiser voert aan dat hij de vraagstelling van de voorzitter van de commissie voor bezwaarschriften als partijdig heeft ervaren. Ter zitting heeft eiser dit nog verder toegelicht.
6.1.
De omstandigheid dat de voorzitter kritische vragen stelt betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de voorzitter partijdig was. Eiser heeft geen andere omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de voorzitter partijdig is. Dit blijkt niet uit het verslag van de hoorzitting en ook niet uit het advies. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het college heeft ondertussen ten onrechte al een parkeervak gereserveerd
7. Eiser stelt dat het college ten onrechte het besluit al ten uitvoering heeft gebracht door een parkeervak te reserveren. Het college had naar de mening van eiser het beroep af moeten wachten.
7.1.
Artikel 6:16 van Pro de Awb bepaalt dat het beroep niet de werking van het besluit schorst waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. De rechtbank stelt vast dat van een dergelijk wettelijk voorschrift in dit concrete geval geen sprake is en dat eiser ook geen verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend om te bewerkstelligen dat het verkeersbesluit wordt geschorst. Daarom is het besluit in werking getreden en mocht het worden uitgevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De belangenafweging bij het aanwijzen van de parkeervakken
8. Eiser voert aan dat het college ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belang om dichtbij zijn woning te kunnen parkeren. Eiser stelt dat de verkeersbelangen die het college noemt niet gediend zijn met het bestreden besluit.
8.1.
In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat het verzamelverkeersbesluit de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid, de leefbaarheid en doelmatig of zuinig energieverbruik dient te bevorderen. In het verweerschrift heeft het college deze verkeersbelangen nog aangevuld met het verkeersbelang ‘het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte gevolgen voor het milieu’.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het college op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), in samenhang met het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 bevoegd was tot het nemen van het verkeersbesluit waarbij twee parkeervakken zijn aangewezen die uitsluitend mogen worden gebruikt voor het opladen van elektrische voertuigen.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde begrippen. [1] De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
8.4.
Zoals in rechtsoverweging 8.1. te lezen is heeft het college in het bestreden besluit en aangevuld in het verweerschrift aangegeven welke belangen zijn meegewogen in de besluitvorming. Naast deze verkeersbelangen mocht het college daarbij naar het oordeel van de rechtbank ook de doelstelling van het uitrollen van een netwerk van laadpunten betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op goede gronden kunnen aannemen dat deze belangen vallen onder de in artikel 2 van Pro de WVW 1994 genoemde belangen. De rechtbank stelt vast dat het college ook het belang van eiser heeft meegenomen in de belangenafweging. Volgens het college is niet gebleken, zoals eiser stelt, dat sprake is van een hoge parkeerdruk. Zoals het college terecht heeft overwogen zijn daar eerder geen klachten over binnengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde het college ook geen parkeerdrukmeting te verrichten. Vanwege het gebrek aan klachten bestond daar geen aanleiding voor en daarnaast vloeit daartoe geen verplichting voort uit de wet of het beleid. Onder deze omstandigheden mocht het college aan het algemeen belang doorslaggevende betekenis toekennen. Dat dit prevaleert boven het belang van eiser wil niet zeggen dat daarmee de onzorgvuldigheid van het besluit gegeven is. Ook al zou er sprake zijn van een hoge parkeerdruk dan nog kan in het kader van de belangenafweging het college besluiten om een parkeerplaats te reserveren. [2] Het college heeft verder met eisers bezwaren rekening gehouden door bij de uitvoering van het besluit eerst een parkeervak in te richten als oplaadplaats. Pas na gebleken noodzaak zal ook de tweede parkeerplaats als zodanig ingericht worden. Aldus is de rechtbank van oordeel dat het college het besluit op goede gronden genomen heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet benadeeld is door het te laat ontvangen van het advies van de commissie voor bezwaarschriften nu het hem is toegestuurd en hij op grond daarvan aanvullende gronden in deze procedure heeft aangevoerd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het college bij de motivering van het bestreden besluit mocht volstaan met de enkele verwijzing naar het advies, dat van partijdigheid van de voorzitter van de commissie voor bezwaarschriften niet is gebleken en dat het beroep de werking van het bestreden besluit niet schorst. Ook is de rechtbank van oordeel dat het college het algemeen belang mocht laten prevaleren boven het belang van eiser. Het college heeft het bestreden besluit dus op goede gronden genomen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 27 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2, eerste lid en tweede
1.De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
het beschermen van weggebruikers en passagiers;
het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2.De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
Artikel 15, eerste lid
De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
Artikel 18
1.Verkeersbesluiten worden genomen:
voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;
voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;
voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;
voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.
2.Indien het beheer over een weg wordt overgedragen, blijven de verkeersbesluiten die de oorspronkelijke wegbeheerder ten aanzien van het verkeer op die weg heeft vastgesteld, van kracht totdat zij zijn vervangen.
3.Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten.
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
Artikel 8
1.Onder verkeersborden kunnen onderborden worden geplaatst.
[…]
Artikel 12, onder a,
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
[website] volgende borden:
de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;
bord L3 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, voor zover het een bushalte betreft;
[…]
Artikel 21
De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Artikel 24, eerste lid, onder d, onder 1°

De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeergelegenheid voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489.
2.Dit blijkt ook onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:489, rechtsoverweging 5.2.