Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4618

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/6811, 26/4, 26/5 en 26/6
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 26 AwrArt. 65 AwrArt. 8:57 AwbArt. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ambtshalve herziening navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en Zvw 2009 en 2010

Belanghebbende heeft verzoeken om ambtshalve herziening ingediend voor navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over 2009 en 2010. Voor 2009 geldt dat alleen op grond van artikel 65 Awr Pro ambtshalve herziening mogelijk is, en beslissingen daarop zijn niet voor bezwaar vatbaar. De bezwaren tegen 2009 zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Voor 2010 geldt dat de inspecteur op verzoeken om ambtshalve herziening beslist met een voor bezwaar vatbare beschikking. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen 2010 onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, waardoor deze beroepen gegrond zijn. De rechtbank beoordeelt vervolgens inhoudelijk of de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening 2010 terecht was.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling van de verzoeken 2010. De verzoeken zijn bovendien na de wettelijke termijn van vijf jaar ingediend. De afwijzing door de inspecteur is daarom terecht, zorgvuldig en gemotiveerd. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de afwijzing van 2010 ontvankelijk maar ongegrond en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

De rechtbank sluit de procedure zonder zitting en vernietigt de uitspraken op bezwaar van 29 december 2025 voor 2010. De afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening 2009 blijft ongewijzigd.

Uitkomst: Beroepen tegen afwijzing verzoeken 2009 ongegrond, tegen 2010 gegrond; verzoeken 2010 inhoudelijk terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/6811, 26/4, 26/5 en 26/6

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 december 2025. De beroepen zien op de verzoeken om ambtshalve herziening van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2009 met [aanslagnummer] .H.97.01, de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) 2009 met [aanslagnummer] .W.97.01, de aanslag IB/PVV 2010 met [aanslagnummer] .H.06.01 en de aanslag Zvw 2010 met [aanslagnummer] .W.06.01.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft, ontvangen door de inspecteur op 18 september 2025, een verzoek om ambtshalve herziening van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en 2010 ingediend. Op 14 november 2025 heeft belanghebbende een formulier ingebrekestelling ingediend.
2.1.
De inspecteur heeft op 19 november 2025 de verzoeken om ambtshalve herziening afgewezen, onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid van de Awb. Op 21 november 2025 heeft belanghebbende beroepen ingesteld tegen deze afwijzing (zaaknummers BRE 25/5997 t/m 25/6000). De rechtbank heeft de beroepen doorgestuurd aan de inspecteur ter behandeling als bezwaarschrift.
2.2.
De inspecteur heeft op 29 december 2025 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat een beslissing op grond van artikel 4:6, tweede lid Awb geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de bezwaren gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De bezwaren gericht tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 zijn onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepen zijn dan ook gegrond. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende ten aanzien van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De rechtbank acht dit standpunt juist. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Standpunten van partijen
4. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de verzoeken om herziening van de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2009 en 2010 terecht zijn afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Awb, omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Een beslissing op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Awb is volgens de inspecteur geen voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 26 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (Awr). Dit zou inhouden dat hiertegen geen bezwaar of beroep mogelijk is en de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat de verzoeken onterecht zijn afgewezen.
Toetsing belastingrechter
5. De belastingrechter is bevoegd kennis te nemen van een beroep tegen een uitspraak op bezwaar van de inspecteur indien die uitspraak betrekking heeft op een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Dat geldt ook in gevallen waarin tegen het ingevolge de belastingwet genomen besluit niet het rechtsmiddel van bezwaar open zou staan. In die gevallen dient de belastingrechter de belanghebbende die tegen de uitspraak op bezwaar beroep instelt dat verder aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet, in dat beroep te ontvangen. [2] De rechtbank is dan ook bevoegd te beoordelen of inderdaad sprake is van een ingevolge de belastingwet genomen besluit waartegen geen bezwaar openstaat.
Ontvankelijkheid van de bezwaren
6. Belanghebbende heeft met de brief met dagtekening 17 september 2025 nieuwe verzoeken om ambtshalve herziening ingediend voor de (navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2009 en 2010. Voor het belastingjaar 2009 geldt dat uitsluitend om ambtshalve herziening kan worden gevraagd op grond van artikel 65 van Pro de Awr. Een beslissing van de inspecteur ingevolge dat artikel is niet een voor bezwaar vatbare beschikking. De bezwaren gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 zijn daarom, hoewel op andere gronden, terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6.1.
Voor de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 geldt dat vanaf 2010 op een verzoek om ambtshalve herziening wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. [3] Op 19 november 2025 heeft de inspecteur de verzoeken om ambtshalve herziening afgewezen, onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid van de Awb. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Artikel 4:6, tweede lid van de Awb biedt de inspecteur de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening van de bezwaren, maar dit doet niet af aan het feit dat hiermee op de verzoeken om ambtshalve herziening van belanghebbende is beslist en dit dus een voor bezwaar vatbare beschikking is.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de bezwaren gericht tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal nu beoordelen of de inspecteur de verzoeken om ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 terecht op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Awb heeft afgewezen.
Afwijzing verzoek om ambtshalve herziening aanslagen IB/PVV en Zvw 2010
7. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid van de Awb, dan toetst de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Een inhoudelijke toetsing vindt niet plaats.
7.1.
Als de rechtbank tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat een afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De rechtbank kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. [4]
7.2.
Belanghebbende voert aan dat bij de beoordeling van de verzoeken om ambtshalve herziening van 18 september 2025 sprake was van een nieuw feit, omdat er sinds 28 februari 2025 een cassatieberoep loopt bij de Hoge Raad. Het cassatieberoep ziet volgens belanghebbende op het standpunt van de inspecteur dat ter zitting bij het Gerechtshof Den Haag op 10 juni 2016 een compromis zou zijn overeengekomen.
7.3.
De rechtbank constateert dat belanghebbende ook beroepen heeft ingesteld tegen eerdere afwijzingen van verzoeken om ambtshalve herzieningen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 van 30 oktober 2024 en 30 november 2024. [5] In deze afwijzende beslissingen staat dat voor het belastingjaar 2010 geldt dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend als meer dan vijf jaren zijn verstreken na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. [6] Belanghebbende had voor 31 december 2015 een verzoek in moeten dienen. De verzoeken van belanghebbende zijn na deze termijn ontvangen. De beroepsprocedures zijn reeds zijn afgerond.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft vermeld die relevant zijn voor de beoordeling van de verzoeken om ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 van 18 september 2025. Het is immers een vaststaand gegeven dat belanghebbende deze verzoeken (ook) niet binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar heeft ingediend. Dit wordt door belanghebbende ook niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur zich terecht, zorgvuldig en gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De afwijzing van de verzoeken onder verwijzing naar eerdere beslissingen is, gezien de eerdere procedures bij de rechtbank en de wettelijk geldende termijn van vijf jaar, ook niet evident onredelijk. De inspecteur heeft de (herhaalde) verzoeken van belanghebbende terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

8. De bezwaren tegen de afwijzing op de verzoeken om ambtshalve herziening van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepen zijn daarom ongegrond. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing.
8.1.
De bezwaren tegen de afwijzing op de verzoeken om ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 zijn onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen daartegen zijn daarom gegrond. Omdat deze beroepen gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht terug. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
8.2.
Omdat de beroepen gericht tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 gegrond zijn, heeft de rechtbank de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening inhoudelijk beoordeeld. De verzoeken zijn terecht afgewezen. Het besluit van 19 november 2025 blijft in stand.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2009 ongegrond;
  • verklaart de beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar van 29 december 2025 die zien op de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010;
  • verklaart de bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2010 ontvankelijk en ongegrond;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet
vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505.
3.Dit staat in artikel 9.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 november 2016 ECLI:NL:RVS:2016:3131.
5.Zaaknummers BRE 24/7333 t/m 24/7336, 24/7338, 24/7982, 24/7983, en 25/62, 25/63 en 25/1171.
6.Artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 45aa, onderdeel a,