ECLI:NL:RBZWB:2026:4621

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
25/4489
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 OwArt. 5.1 OwArt. 5.18 OwArt. 16.15a OwArt. 22.1 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor zelfstandige tandartspraktijk wegens bevoegdheids- en motiveringsgebreken

Derde partij vroeg een omgevingsvergunning aan om een zelfstandige tandartspraktijk te vestigen en een uitweg te realiseren op een perceel in Breda. Het college verleende deze vergunning, maar eisers, buren van het perceel, maakten bezwaar en stelden dat het college niet bevoegd was omdat de gemeenteraad niet om advies was gevraagd.

De rechtbank oordeelde dat het college inderdaad advies van de gemeenteraad had moeten inwinnen bij deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waardoor het besluit een bevoegdheidsgebrek vertoonde. Daarnaast was onduidelijk welke omvang van de tandartspraktijk en welke parkeerplaatsen met de vergunning waren toegestaan, wat een motiveringsgebrek opleverde.

De rechtbank verwierp bezwaren over welstand en schade, maar stelde vast dat het college de gevolgen voor de fysieke leefomgeving onvoldoende had onderzocht. De vergunning voor de aanleg van de uitrit werd wel als rechtmatig beoordeeld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen, waarbij het adviesrecht van de gemeenteraad moet worden gerespecteerd en de vergunning duidelijker moet worden gemotiveerd. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens bevoegdheids- en motiveringsgebreken en veroordeelt het college tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. R.E. Izeboud),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij neemt aan het geding deel [b.v.] . te [plaats]

(gemachtigde: mr. A. Vegt).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het perceel [adres] te [plaats] zodat op het perceel een zelfstandige tandartspraktijk gevestigd mag zijn en een uitweg/uitrit vanaf het perceel naar de [locatie] gerealiseerd kan worden. Bij besluit van 17 juli 2025 zijn de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde met [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] . Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [persoon 1] en [persoon 2] .
Wat zijn de feiten?
2. Derde partij heeft een tandartsenpraktijk aan de [adres] te [plaats] . Dit is een tandartspraktijk die verbonden is met de woning op het perceel. De praktijk is sinds de jaren ’70 op deze locatie gevestigd.
Bij besluit van 11 oktober 2004 heeft het college een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor vervangende nieuwbouw van een tandartsenpraktijk op het perceel. De vrijstelling ziet op het totale oppervlak van bebouwing op het perceel (circa 430 m²), de secundaire bebouwingsgrens en het vestigen van een bedrijf in plaats van een aan huis gebonden beroep.
Eisers wonen op het perceel [locatie] [huisnummer] te [plaats] . Dit perceel grenst direct aan het perceel [adres] te [plaats] .
2.1
Op 5 januari 2024 heeft derde partij een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend die ziet op de activiteiten afwijken van de regels in het omgevingsplan en het maken van een uitweg. Uit de aanvraag volgt dat derde partij de tandartsenpraktijk wil loskoppelen van het woonhuis zodat sprake is van een zelfstandige tandartspraktijk die via een nieuwe uitweg aan de [locatie] bereikbaar is voor patiënten en personeel.
2.2
Bij besluit van 14 maart 2024 (primair besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
2.3
De toenmalige eigenaren van [locatie] [huisnummer] te [plaats] hebben bezwaar gemaakt.
2.4
Bij bestreden besluit van 17 juli 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten met opname van een aanvullende voorwaarde ten aanzien van het terugbrengen van de beplanting tot een aanvaardbare hoogte in het kader van de overzichtelijkheid van de uitweg.
Wettelijk kader
3. Op de aanvraag is de Omgevingswet (Ow) van toepassing. De relevante artikelen zijn opgenomen in een bijlage bij deze tussenuitspraak.
3.1
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu gedeeltelijk uit een tijdelijk deel. De regels van het (voormalig) bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan [plaats] ’ maken onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. In het omgevingsplan Breda zijn aan het perceel [adres] te [plaats] de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde-Archeologie’ toegekend.

Zijn eisers ontvankelijk in hun beroep?

4. Derde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De effecten van de nieuw vergunde situatie zijn ten opzichte van de oorspronkelijk bestaande situatie dermate gering dat eisers geen gevolgen van enige betekenis ondervinden.
4.1
Belanghebbendheid werd bij besluiten krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in beginsel aangenomen bij bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij dergelijke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn [1] . De rechtbank ziet geen aanleiding om te denken dat dit onder de Ow anders zou moeten zijn.
4.2
Eisers zijn eigenaar van en woonachtig op het aangrenzende perceel. De rechtbank acht op voorhand niet uitgesloten dat zij feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden vanwege de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank acht hen gelet daarop ontvankelijk in hun beroep.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijken regels in het omgevingsplan)

5. Op 5 januari 2024 heeft derde partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend die onder meer ziet op het wijzigen van de bestemming ‘Wonen’ naar ‘Zelfstandige tandartsenpraktijk’. Bij besluit van 14 maart 2024 (primair besluit) heeft het college voor deze aangevraagde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
Was het college bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen?
6. Artikel 16.15a, onder b, onder 1˚, van de Ow bepaalt dat de gemeenteraad – bij een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning – als adviseur geraadpleegd moet worden in de door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Als een college ten onrechte de raad niet om advies vraagt, ontbreekt de bevoegdheid van het college om op de vergunningsaanvraag te beslissen. Gelet daarop dient de rechtbank steeds ambtshalve te beoordelen of het in artikel 16.15a, onder b, onder 1˚ bedoelde aanwijzingsbesluit in een concreet geval verplicht tot een adviesrecht van de gemeenteraad.
6.1
De gemeenteraad van de gemeente Breda heeft met het “Besluit tot het aanwijzen van categorieën van gevallen waarbij een advies van de gemeenteraad verplicht is”, een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.15a, onder b, onder 1˚ van de Ow genomen. In artikel 1 heeft Pro de gemeenteraad categorieën aangewezen waarbij een advies van haar verplicht is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit afzonderlijke categorieën zijn die niet in samenhang met elkaar moeten worden gelezen.
6.2
In artikel 1, onder 1 van het aanwijzingsbesluit is bepaald dat in de volgende categorieën van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders verplicht is:
1. Het realiseren van een project dat niet is opgenomen, dan wel niet in overeenstemming is of niet rechtstreeks past binnen de kaders van een omgevingsvisie, gebiedsvisie of ander concreet raadsbeleid.
Naar het oordeel van de rechtbank valt de voorliggende buitenplanse omgevingsplanactiviteit onder die omschrijving. Door de wijze waarop de raad categorie 1 omschreven heeft, valt namelijk iedere buitenplanse afwijking van het omgevingsplan onder deze categorie. Dat zal wellicht – zoals aangevoerd door het college en derde partij – niet de bedoeling van de raad zijn geweest maar is wel het gevolg van de gekozen formulering. Dit betekent dat het college advies had moeten vragen aan de raad. Dit is niet gebeurd waardoor aan de omgevingsvergunning een gebrek kleeft.
Wat is met de voorliggende buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergund?
7. De rechtbank stelt vast dat op grond van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan – bestemmingsplan [plaats] – aan het perceel [adres] te [plaats] de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde-Archeologie’ zijn toegekend. Op de plankaart staan geen specifieke aanduidingen voor dit perceel.
7.1
Voor de tandartsenpraktijk op het perceel is op 11 oktober 2004 vrijstelling op grond van artikel 19 WRO Pro verleend, zodat in afwijking van het destijds geldende bestemmingsplan de praktijk was toegestaan. Op grond van het overgangsrecht van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is de tandartsenpraktijk nog steeds toegestaan. Er kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een aan huis verbonden bedrijf als bedoeld in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. De tandartspraktijk is gelet op de omvang niet ondergeschikt aan de op het perceel aanwezige woning en voldoet ook niet aan de eisen voor een bedrijf aan huis. [2]
8. Met de voorliggende omgevingsvergunning is beoogd om op een afgesplitst deel van het perceel een zelfstandige tandartsenpraktijk in afwijking van de functie ‘Wonen’ toe te staan. Tussen partijen is in geschil of het toestaan van een zelfstandige tandartsenpraktijk op het perceel gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving van eisers.
Eisers stellen zich onder meer op het standpunt dat door de verleende omgevingsvergunning het perceel intensiever gebruikt en bebouwd kan worden. Ook zal door de gewijzigde verkeersroutering en de beoogde parkeerplaatsen op het perceel overlast voor hen ontstaan.
8.1
In de aanvraag om omgevingsvergunning van 5 januari 2024 staat dat de aanvraag het gevolg is van het voornemen om het woon-tandartspraktijk perceel te splitsen in een deel wonen en een deel tandartspraktijk. De praktijk zal in fase 1 worden losgekoppeld van de woning. Er wordt gevraagd om de bestemming van het gedeelte van het perceel waarop de tandartspraktijk aanwezig is te wijzigen omdat na de splitsing van het perceel voor dit deel een bedrijfsbestemming nodig zal zijn. De rechtbank stelt aan de hand van de tekening van de nieuwe situatie vast dat op het tandartsperceel ook 5 parkeerplaatsen en een fietsenstalling ten behoeve van de tandartspraktijk zijn voorzien. Op deze tekening is bovendien ook een uitbreiding van de tandartsenpraktijk ingetekend met de opmerking dat dit fase 2 betreft.
Parkeren en de omvang van de tandartsenpraktijk
8.2
Naar het oordeel van de rechtbank is het onduidelijk wat het college met de omgevingsvergunning precies vergund heeft. Het is onduidelijk of de op tekening aanwezige parkeerplaatsen en fase 2 met deze omgevingsvergunning ook worden toegestaan. Ook hierdoor kleeft er een gebrek aan de omgevingsvergunning.
8.3
Uit artikel 17.1 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan volgt onder meer dat de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd zijn voor wonen met daarbij horend parkeren. De vrijstelling uit 2004 ziet niet op parkeren op het perceel ten behoeve van de tandartsenpraktijk. In de motivering van de vrijstelling wordt uitgegaan van parkeren op de openbare weg.
Het komt de rechtbank niet onaannemelijk voor dat het voorzien in 5 parkeerplaatsen op eigen terrein ten behoeve van een tandartspraktijk gevolgen kan hebben voor de leefomgeving van eisers. Zeker nu er een terras op hun perceel gelegen is in de directe nabijheid van die parkeerplaatsen. Het college heeft dit ten onrechte in zijn beoordeling niet meegenomen.
Omvang tandartsenpraktijk
8.4
Naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk welke omvang van de tandartsenpraktijk met deze omgevingsvergunning is toegestaan. De op grond van het overgangsrecht toegestane tandartsenpraktijk gaat uit van 4 behandelkamers waar één tandarts met een aantal assistenten werkt. In de motivering bij de vrijstelling uit 2004 is daarnaast aangegeven dat het aantal patiënten in beperkte mate zal toenemen door de efficiëntere werkwijze. Ter zitting werd duidelijk dat inmiddels twee tandartsen in de praktijk werken. Uit informatie op internet komt naar voren dat er ook een mondhygiëniste en een tandprotheticus werken. Dit alles kan mogelijk gevolgen hebben voor de omvang van de praktijk. In het door het college overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie is opgenomen dat de praktijk zoals thans aanwezig is, al bij recht is toegestaan. Hierbij lijkt het college voorbij te gaan aan het mogelijk intensiever huidige gebruik van de praktijk in vergelijking met de situatie uit 2004. Ook is op de tekening die onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning voorzien in een uitbreiding van de praktijk. Het college zal duidelijker moeten omschrijven wat nu precies is toegestaan met deze omgevingsvergunning. Als met de voorliggende omgevingsvergunning wordt beoogd een grotere tandartsenpraktijk (in omvang en/of oppervlakte) toe te staan dan met de vrijstelling uit 2004 al was toegestaan, zal in de motivering ingegaan moeten worden op de mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving van die vergroting en de vraag moeten worden beantwoord of daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie buitenplanse omgevingsplanactiviteit
9. Naar het oordeel van de rechtbank kleven aan het bestreden besluit op de hierboven besproken onderdelen motiveringsgebreken en is het beroep in zoverre gegrond.

Omgevingsplanactiviteit: in- en uitrit

10. Uit de Omgevingswet [3] en de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Breda (hierna: APV) volgt dat voor het maken van een in- en uitrit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist is. De aanvraag hiervoor wordt getoetst aan de in de APV opgenomen weigeringsgronden. Doen zich geen weigeringsgronden voor, dan dient de vergunning voor deze activiteit te worden verleend.
10.1
Eisers hebben aangevoerd dat de aanleg van de uitrit leidt tot onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat, zorgt voor onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid en het doelmatig gebruik van de weg. De [locatie] is niet breed genoeg én komend en gaand verkeer kan elkaar slecht passeren als er de nodige auto’s achter elkaar geparkeerd staan. Het is een drukke straat die ook gebruikt wordt door kwetsbare verkeersdeelnemers. Ook het uiterlijk aanzien van de omgeving komt in het geding omdat de huidige groene gesloten haag over een breedte van 5,40 meter zal worden weggenomen. De gevolgen die uit de wijziging voortvloeien zijn onvoldoende onderzocht.
10.2
De rechtbank is van oordeel dat het college de gevraagde activiteit heeft kunnen vergunnen. Het college heeft onderbouwd aangegeven dat de verkeersveiligheid en het doelmatig gebruik van de weg niet in het geding zijn. De [locatie] is voldoende breed en er is niet reeds sprake van een overbelaste situatie. Ook komen er thans al meerdere uitwegen op de [locatie] uit. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op twee door een verkeerskundige opgestelde memo’s van 25 juni 2025 en 23 maart 2026. De door eisers aangevoerde aantasting van hun woon- en leefklimaat is geen in artikel 2:6 van Pro de APV opgenomen weigeringsgrond.

Omgevingsplanactiviteit: aanleggen

11. Eisers hebben aangevoerd dat voor het aanleggen van de parkeerplaatsen en de aanleg van de in- en uitrit ook vergunning had moeten worden verleend (omgevingsplanactiviteit aanleggen). De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor die activiteit geen vergunning is vereist. Bovendien is de in artikel 18.4 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan neergelegde vergunningplicht opgenomen in het kader van het beschermen en veiligstellen van archeologische waarden. Dit betekent dat de in artikel 8:69a van de Awb bedoelde relativiteit aanwezig is voor zover eisers zich op deze regel beroepen.

Welstand

12. Eisers voeren aan dat door het bijgebouw planologisch en bouwkundig los te koppelen van het woonhuis en daaraan een zelfstandige bedrijfsfunctie toe te kennen een nieuw hoofdgebouw ontstaat dat met de huidige zijgevel georiënteerd is op de [locatie] . Dat ‘nieuwe’ hoofdgebouw behoort in het kader van een integrale belangenafweging dan ook tevens beoordeeld te worden op de ruimtelijke kwaliteit. Eisers stellen zich op het standpunt dat het (bij)gebouw niet aan de redelijke eisen van welstand voldoet. In architectonisch opzicht kan het bijgebouw in zijn huidige vormgeving (maat en schaal en materiaalgebruik) niet als zelfstandig hoofdgebouw functioneren.
12.1
Deze grond slaagt niet. Welstand speelt bij het verlenen van een omgevingsvergunning enkel als ook voor een omgevingsplanactiviteit (bouwen) een omgevingsvergunning is vereist. Dat is hier niet het geval omdat er geen bouwactiviteiten zijn aangevraagd. Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat sprake is van een welstandsexces, merkt de rechtbank op dat voor het nu aanwezige gebouw legaal in 2004 een bouwvergunning is verleend en dat niet is aangevoerd dat het gebouw in afwijking van die vergunning is gebouwd.

Schade

13. Eisers hebben aangevoerd dat zij schade zullen leiden door een aanzienlijke waardedaling van hun woonhuis als deze ontwikkeling doorgaat. Het college dient dit belang mee te wegen en kan niet volstaan met de opmerking dat een planschadeverzoek kan worden ingediend.
13.1
Ook deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat eisers bij de aankoop van hun woning op de hoogte waren van de verleende omgevingsvergunning. Zij hadden bij de aankoop van de woning rekening kunnen houden met deze ontwikkeling. Bovendien hebben zij de door hen gestelde schade niet nader onderbouwd.

Conclusie

14. Het bestreden besluit kent een bevoegdheidsgebrek en een motiveringsgebrek. Omdat het college wellicht de gevolgen van het project op de fysieke leefomgeving opnieuw zal moeten beoordelen en het college in ieder geval de reikwijdte van de aangevraagde wijziging van de tandartsenpraktijk nader moet duiden, is de bestuurlijke lus geen geschikt middel. De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit vernietigen zodat het college een nieuwe beslissing op de bezwaren moet nemen.
14.1
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.. Het griffierecht bedraagt € 385,-. Het college moet dit vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 17 juli 2025;
  • veroordeelt het college tot betaling van de proceskosten aan eisers van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 26 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 1.1, eerste lid bepaalt dat de bijlage bij deze wet begripsbepalingen bevat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 5.1, eerste lid, onder a bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende activiteit te verrichten: omgevingsplanactiviteit tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18, eerste lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
Artikel 16.15a onder b en 1˚ bepaalt dat op grond van artikel 16.15, eerste lid, worden in ieder geval als adviseur aangewezen: de gemeenteraad als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 22.1 bepaalt dat in deze afdeling onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet.
de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5 van die wet,
de regels, waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.2, eerste lid bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat regels die voor de inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels al dan niet tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.4 bepaalt dat aan de verplichting tot vaststelling van een omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4, wordt uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voldaan. Ttot dat tijdstip zijn artikel 122 van Pro de Gemeentewet en de artikelen 28 en 34, eerste lid, tweede zin, van de Wet algemene regels herindeling niet van toepassing. Vanaf dat tijdstip worden regels over de fysieke leefomgeving waarvoor dat op grond van artikel 2.7, eerste lid, is bepaald, alleen nog in het omgevingsplan opgenomen.
Artikel 22.8 bepaalt dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
In bijlage A is bepaald dat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij anders bepaald, wordt verstaan onder:
buitenplanse omgevingsplanactiviteit:activiteit, inhoudende:
een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan,
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0 bepaalt dat afdeling 8.1 (omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit) van toepassing is op omgevingsplanactiviteiten die niet vergunningvrij zijn op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en is opgenomen met het oog op de doelen van de wet.
Artikel 8.0a bepaalt
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsbesluit
Artikel 2.1, eerste lid, bepaalt dat onverminderd het tweede lid, worden in ieder geval regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen zoals bedoeld in artikel 1.2, derde lid, onder a, van de wet alleen in het omgevingsplan opgenomen.
Artikel 2.1a, onder a, bepaalt dat tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in artikel 22.4 van de wet, worden voor de toepassing van artikel 22.8 van de wet: regels in een gemeentelijke verordening die vallen onder artikel 2.1, eerste lid, alleen als regels als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid van de wet aangemerkt voor zover het gaat om regels over een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold.
Artikel 4.21, eerste lid, bepaalt dat de gemeenteraad adviseur is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een door hem aangewezen geval van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor het college van burgemeester en wethouder bevoegd gezag is.
Omgevingsplan Breda
Op grond van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan – bestemmingsplan [plaats] – is aan het perceel [adres] te [plaats] de functies ‘Wonen’ en ‘Waarde-Archeologie’ toegekend.
Artikel 1.4 bepaalt dat in deze regels wordt verstaan onder:
Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde prostitutie, waarvan de activiteiten niet publieksaantrekkend zijn en die door een bewoner op kleine schaal in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
Artikel 17.1 bepaalt – voor zover hier relevant – dat de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor (a) wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan met daarbij behorend (g) parkeren.
Artikel 17.4, onder b, bepaalt dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 21, onder b, onderdeel 5, voor het gebruik van bijgebouwen voor een aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit met dien verstande dat:
1. maximaal 60 m² van het bijgebouw voor een aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit mag worden gebruikt;
2. het gebruik niet tot zodanig verkeeraantrekkende werking mag leiden dat een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse ontstaat;
3. de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving;
4. de activiteit niet-vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer mag zijn.
Artikel 27.1, onder a bepaalt – voor zover hier relevant – dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.
Artikel 27.2, onder a, bepaalt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, voortgezet mag worden.
Algemene plaatselijke verordening Breda 2018
Artikel 2:6, eerste lid bepaal dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een uitweg te maken, te hebben, te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.
Artikel 2:6, vierde lid, bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd:
a. in het belang van de verkeersveiligheid
b. in het belang van het uiterlijk aanzien van de omgeving.
c. ter bescherming van de openbare groenvoorzieningen
d. in het belang van de veiligheid en het doelmatig gebruik van de weg.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:651.
2.Artikel 17.4, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan [plaats] .
3.Artikel 22.1, aanhef en onder c, van de Ow gelezen in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit.