Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4663

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
26/801 VEROR VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na toekenning leerlingenvervoer

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen om het aangevraagde leerlingenvervoer voor haar dochter af te wijzen. Na een nieuw gesprek en het aanleveren van voldoende bewijs besloot het college op 30 maart 2026 alsnog met terugwerkende kracht leerlingenvervoer toe te kennen.

Verzoekster trok daarop haar verzoek om een voorlopige voorziening in en verzocht om een proceskostenvergoeding. Het college stelde dat geen proceskostenvergoeding hoefde te worden toegekend omdat verzoekster geen beroepsmatige rechtsbijstand had ingeschakeld en geen overige proceskosten had gemaakt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel het college aan het verzoek tegemoet was gekomen, dit niet automatisch leidt tot een proceskostenvergoeding. Omdat verzoekster geen rechtsbijstandverlener had en geen proceskosten had aangetoond, wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenvergoeding af. Wel wees hij erop dat verzoekster het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college kan claimen.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen rechtsbijstandverlener is ingeschakeld en geen proceskosten zijn aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/801 VEROR VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek tegen het besluit van het college van 12 januari 2026. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 januari 2026, waarin het voor haar [dochter] aangevraagde leerlingenvervoer was afgewezen.
1.1.
Verzoekster heeft het verzoek op 13 april 2026 ingetrokken omdat het college op 30 maart 2026 in een nieuw besluit heeft besloten dat alsnog met terugwerkende kracht vanaf 5 januari 2026 leerlingenvervoer wordt toegekend op basis van een vergoeding voor de kosten van openbaar vervoer naar [VSO] voor [dochter] en één ouder of begeleider.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding, nu belanghebbende zelf expliciet heeft verklaard dat geen proceskosten zijn gemaakt en het bestreden besluit ten tijde van het nemen daarvan niet onrechtmatig was.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het besluit van 30 maart 2026 aan verzoekster tegemoetgekomen, omdat pas na een nieuw gesprek op 16 maart 2026 voldoende bewijs is geleverd dat [dochter] recht had op leerlingenvervoer. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5]
Moet het college de proceskosten van verzoekster vergoeden?
5. Het college is weliswaar tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoekschrift is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- kan vergoeden. [6] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.