Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4686

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
BRE 25/3860 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken bezwaarprocedure ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025, waarin het beroep van opposant niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet volgen van de verplichte bezwaarprocedure. Opposant had na het indienen van het beroepschrift alsnog een bezwaarschrift ingediend, maar dit kwam te laat om de ontvankelijkheid van het beroep te herstellen.

De rechtbank beoordeelt uitsluitend of het eerdere oordeel over de niet-ontvankelijkheid terecht was, op basis van de gronden van het verzet. Opposant stelde dat de rechtbank onvoldoende empathie toonde en onvoldoende rekening hield met het ingediende bewijs en inhoudelijke gronden, maar gaf geen reden waarom de bezwaarprocedure kon worden overgeslagen.

De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is omdat het niet aannemelijk is gemaakt dat de bezwaarprocedure niet gevolgd hoefde te worden. Het verzet kan zich bovendien alleen richten op de niet-ontvankelijkverklaring en niet op de inhoudelijke behandeling van de zaak. De uitspraak van 4 november 2025 blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3860 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025 [2] waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposant is op 7 november 2025 tegen de uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Omdat er geen hoger beroepsprocedure openstond, heeft de Afdeling het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank om als verzetschrift te behandelen. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 4 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 4 november 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant op grond van artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eerst de bezwaarprocedure moest volgen.
5. In het verzetschrift stelt opposant – samengevat – dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan zonder blijk van empathie of zorgvuldig onderzoek naar relevante wetgeving. Het bewijs dat opposant heeft geleverd is onvoldoende meegewogen, terwijl het bewijs door de gemeente wel is geaccepteerd. Verder heeft opposant inhoudelijke gronden ingediend over een onjuist plan van aanpak en een onjuiste inschrijving en schending van privacy door de gemeente.
6. Het verzet slaagt niet. Opposant dient verzetsgronden in, maar hij voert geen reden aan waarom de bezwaarprocedure kon worden overgeslagen. Ook blijkt in verzet niet dat er wel een bezwaarprocedure voorafgaand van het indienen van het beroepschrift is gevolgd. Na het indienen van het beroepschrift op 10 juni 2025 heeft opposant immers op 1 augustus 2025 een bezwaarschrift bij het college ingediend.
7. Het verzet kan alleen maar gaan over het oordeel in de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025. Dat betekent dat de verzetrechter alleen kan oordelen over verzetsgronden tegen de niet-ontvankelijk verklaring. In het verzet kan niet worden ingegaan over het optreden van de gemeente.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 27 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).