Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4695

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/6720
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 WVWArt. 131 WVWArt. 11 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen oplegging Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

Eiser werd op 17 mei 2025 aangehouden op verdenking van rijden onder invloed van alcohol. Verweerder legde op 18 juli 2025 een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) op. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in tegen het bestreden besluit dat de EMA handhaafde.

Eiser voerde aan dat hij geen auto had bestuurd en dat hem niet was medegedeeld welke gevolgen de weigering van een bloedonderzoek zou hebben. Hij verzocht om een lichtere maatregel, een LEMA-cursus. De rechtbank oordeelde dat uit het proces-verbaal en getuigenverklaringen het vermoeden voortvloeit dat eiser onder invloed heeft gereden en dat hij de rijvaardigheid ontbeerde. Tevens weigerde hij mee te werken aan bloedonderzoek, waarbij hem was medegedeeld dat een educatieve maatregel kon worden opgelegd.

De rechtbank stelde vast dat verweerder op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 verplicht was de EMA op te leggen. Er is geen ruimte voor een belangenafweging of afwijking op grond van persoonlijke omstandigheden. De rechtbank wees het verzoek om een LEMA-cursus af omdat de regelgeving dit niet toestaat.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wees het griffierecht af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door rechter I.M. Josten op 28 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6720 WVW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van 7 november 2025 (bestreden besluit), waarbij verweerder de oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) aan eiser heeft gehandhaafd. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de EMA aan eiser mocht opleggen. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Inleiding

2. Eiser is op 17 mei 2025 door de politie aangehouden op verdenking van rijden onder invloed van alcohol. Verweerder heeft met een besluit van 18 juli 2025 (primaire besluit) aan eiser een EMA opgelegd.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.2.
Met het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld.
2.4.
Op dit beroep heeft verweerder gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en, namens verweerder, [vertegenwoordiger] .
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het vermoeden in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) heeft vastgesteld. Volgens eiser heeft hij geen auto bestuurd. Verder stelt eiser dat hem niet is medegedeeld welke consequenties de weigering van een bloedonderzoek heeft. Eiser verzoekt hem een LEMA cursus te laten volgen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de getuigenverklaringen en het proces-verbaal van de politie het vermoeden voort dat eiser onder invloed heeft gereden en niet langer beschikte over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Daarnaast volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het proces-verbaal dat eiser heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek en aan hem is verteld dat een educatieve maatregel kan worden opgelegd.
4.1.
Verweerder was gelet op artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 gehouden aan eiser een EMA op te leggen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177) volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de WVW en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, maar daarvan is in dit geval niet gebleken. Voor zover eiser heeft verzocht hem een LEMA cursus te laten volgen overweegt de rechtbank dat de regelgeving daartoe geen mogelijkheden biedt.

Conclusie

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 28 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.