Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4720

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BRE 24/283
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 IWArt. 30 IWArt. 49 IWArt. 62a IWArt. 8:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake verrekening belastinginvordering

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de verrekening van een teruggaaf voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen met een openstaande belastingschuld. De ontvanger verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep, omdat de belastingrechter niet bevoegd is over beslissingen op grond van de Invorderingswet 1990 te oordelen, behalve voor enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn.

Belanghebbende stelde dat het Unierecht een rechterlijke toetsing van invorderingsbesluiten vereist, maar de rechtbank volgde dit niet en verwees naar de civiele rechter voor inhoudelijke geschillen over de verrekening. Tevens constateerde de rechtbank dat het materiële belang in beroep ontbrak, omdat de verrekening door de ontvanger was teruggedraaid.

De rechtbank wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af wegens onbevoegdheid en besloot het door belanghebbende betaalde griffierecht terug te betalen. Het verzet werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard, het griffierecht wordt terugbetaald en de rechtbank is onbevoegd voor het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 op het verzet van

[belanghebbende] BV, uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 november 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 20 november 2024 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van belanghebbende kennis te nemen.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende gemachtigde en [persoon] deelgenomen. De ontvanger is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de verrekening van een teruggaaf voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen met een openstaande belastingschuld. De ontvanger heeft het bezwaar op 16 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. [1] De rechtbank heeft geoordeeld dat zij onbevoegd is, omdat de belastingrechter als uitgangspunt niet bevoegd is te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990 (IW).
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onbevoegdverklaring
3. In de in verzet bestreden uitspraak is naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de verrekening door de ontvanger is gebaseerd op artikel 24 van Pro de IW. Ingevolge artikel 8:5 van Pro de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrecht zijn besluiten genomen op grond van de IW van beroep uitgesloten, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a van de IW. Nu artikel 24 niet Pro genoemd is bij de uitzonderingen, staat tegen het besluit tot verrekening geen beroep open bij de belastingrechter (en ook niet bij de algemene bestuursrechter). De rechtbank heeft zich in de in verzet bestreden uitspraak daarom terecht met betrekking tot de verrekening onbevoegd verklaard. Dat, zoals belanghebbende aanvoert, het Unierecht ertoe zou verplichten dat een geschil over de wijze van invordering moet kunnen worden voorgelegd aan de rechter die ook bevoegd is te oordelen over de heffing van de belasting, volgt de rechtbank niet. Zoals eerder (ook) al door andere rechtbanken is overwogen [2] , is het niet strijdig met het Unierecht te achten dat ter zake van een geschil over invordering van de belasting in Nederland de civiele rechter bevoegd is terwijl de bijzondere bestuursrechter bevoegd is te oordelen over de geschillen in verband met de heffing van de belasting.
Inhoudelijke gronden tegen de verrekening kan belanghebbende aanvoeren in een procedure bij de civiele rechter, zoals terecht in de in verzet bestreden uitspraak is overwogen.
Procesbelang
4. De rechtbank merkt ten overvloede op dat een materieel (proces-)belang in beroep ontbreekt. De ontvanger heeft in de brief van 4 juni 2024 aangegeven dat de verrekening wordt teruggedraaid en gemachtigde heeft dit ter zitting bevestigd.
Griffierecht
5. De rechtbank constateert dat de rechtbank het door belanghebbende betaalde griffierecht niet heeft vergoed. Aangezien de belastingrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep en bij een dergelijk oordeel het griffierecht wordt teruggestort, krijgt belanghebbende het griffierecht alsnog terug.
Immateriële schadevergoeding
6. Belanghebbende heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak op bezwaar waartegen het onderhavige beroep was gericht heeft betrekking op een verrekening van een teruggaaf voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen met een nog openstaand bedrag. Nu dit geschil niet aan de belastingrechter, maar aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd, geldt dit ook voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

7. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 20 november 2024. Het verzet is ongegrond. Belanghebbende krijgt wel het griffierecht terug. De rechtbank is onbevoegd met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365,- aan belanghebbende te vergoeden;
  • verklaart zich onbevoegd met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBGEL:2023:2572