Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak BRE 25/1422, waarin verzoeker een verzoek indiende om veroordeling van de Dienst Toeslagen in de proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van zijn beroep tegen een besluit van 31 maart 2025, dat betrekking had op de vastgestelde compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Verzoeker trok zijn beroep in omdat hij meer informatie had ontvangen over de vergoeding van werkelijke schade en omdat zijn formele punten van beroep in dat traject ingebracht zouden worden. Hij was van mening dat het ontbreken van zijn persoonlijk dossier in de bezwaarprocedure hem noopte om beroep in te stellen en dat er aanleiding was om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek. Verweerder stelde dat de beslissing op bezwaar niet was gewijzigd en dat de relevante stukken met verzoeker waren gedeeld. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om tot veroordeling over te gaan, aangezien de beslissing op bezwaar niet was gewijzigd en verweerder aan zijn verplichtingen had voldaan door het volledige bezwaardossier te verstrekken. Verzoeker werd niet gevolgd in zijn stelling dat hij door het ontbreken van relevante stukken gedwongen was om beroep in te stellen.
De rechtbank concludeert dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen, en deze uitspraak is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl. Partijen hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.