ECLI:NL:RBZWB:2026:4860

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
26/1914 en 26/1915
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:86 AwbArt. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over omgevingsvergunning kinderopvang en gebreken in besluitvorming

Verzoeker maakt bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk heeft verleend aan Flekss Kinderopvang voor het vestigen van een buitenschoolse opvang op de eerste verdieping van een pand. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening en constateert dat de opvang al geopend is, waardoor sprake is van een spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat het college bevoegd is om bij omgevingsvergunning hiervan af te wijken mits aan voorwaarden wordt voldaan. Het college heeft echter nagelaten een expliciete afweging te maken of de activiteit past binnen de beleidsruimte (etfal-toets). Ook is het akoestisch onderzoek niet getoetst aan de juiste geluidsnormen voor een twee-onder-een-kap-constructie, en is de parkeerdruk onjuist berekend doordat het bruto vloeroppervlak verkeerd is vastgesteld en onterecht is gesaldeerd met niet-gerealiseerde parkeerplaatsen.

Deze gebreken leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en niet voldoet aan de vereisten. De voorzieningenrechter geeft het college zes weken de tijd om de gebreken te herstellen, met een termijn van twee weken om te melden of het college hiervan gebruik maakt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang van de vergunninghouder zwaarder weegt dan dat van verzoeker.

De uitspraak is een tussenuitspraak, waarbij verdere beslissingen worden aangehouden tot de einduitspraak. Er is nog geen hoger beroep mogelijk tegen deze tussenuitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college krijgt zes weken om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1914 en 26/1915
Tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Flekss Kinderopvang uit Breda (de vergunninghouder).

Procesverloop

1. De vergunninghouder heeft op 13 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het vestigen van een kinderopvang op de eerste verdieping aan [adres 1].
1.1.
Met het besluit van 16 juni 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
1.2.
Verzoeker, wonend aan [adres 2], heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker is de omgevingsvergunning in stand gebleven onder aanvullende motivering ten aanzien van de parkeerdruk.
1.4.
Verzoeker heeft op 12 maart 2026 hier beroep tegen ingesteld. Tegelijkertijd heeft verzoeker ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Namens het college was [naam 1] aanwezig. De vergunninghouder werd op zitting vertegenwoordigd door [naam 2].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
2. Verzoeker stelt dat hij overlast ervaart van de vestiging van de buitenschoolse opvang. Omdat de buitenschoolse opvang momenteel al geopend is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hier sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek is ontvankelijk en de voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
Kortsluiten van het verzoek om voorlopige voorziening met het ingestelde beroep
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat ook geen beletsel om uitspraak te doen in de beroepszaak. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de voorzieningenrechter die mogelijkheid.
Het wettelijk kader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Op het perceel is het Omgevingsplan van de gemeente Klundert (het omgevingsplan) van toepassing. Het bestemmingsplan ‘KernKlundert' (het bestemmingsplan) maakt daar onderdeel vanuit.
4.2.
Op basis van dat bestemmingsplan heeft het pand de functie ‘Centrum – 1’. De voor ‘Centrum – 1’ aangewezen gronden met betrekking tot de verdiepingen van de gebouwen (dus niet de begane grond) zijn op grond van artikel 5.1, onder b, van het bestemmingsplan onder meer bestemd voor kantoren, opslag en/of sanitaire voorzieningen ten dienste van en in directe relatie met de onder a genoemde functies.
4.3.
Een deel van de eerste verdieping zal worden gebruikt als opslag. Dit past binnen de bestemming. Een groot deel van deze verdieping zal echter worden gebruikt als buitenschoolse opvang. Tussen partijen is niet in geschil dat dit in strijd is met de bestemming.
4.4.
Een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan en dus met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [1] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het voorliggende geval is specifiek sprake van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. [2] In het bestemmingsplan is namelijk in artikel 5.5.2 van het bestemmingsplan een bevoegdheid opgenomen waarmee het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 5.1, onder a, van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van de verdieping voor functies die zijn toegestaan op de begane grond, mits aan een bepaald aantal voorwaarden is voldaan. Op de begane grond is onder meer een maatschappelijke voorziening toegestaan. Hier valt de buitenschoolse opvang onder.
4.5.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan volgt echter dat deze verplichting als bevoegdheid gelezen moet worden. De wetgever heeft daarmee willen ondervangen dat vanwege artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat (zoals onder het oude recht wel het geval was) om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren. Hiermee is dus beoogd om het oude recht te continueren, met dien verstande dat vanaf 1 januari 2024 sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) in plaats van de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent concreet dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het omgevingsplan al dan niet te gebruiken. De voorzieningenrechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het college moet de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte goed motiveren. [3]
Beroepsgronden
5. Verzoeker voert aan dat de omgevingsvergunning gebaseerd is op een gebrekkig akoestisch onderzoek. Daarnaast stelt eiser dat de parkeerdruk onjuist berekend is.
De etfal-toets
6. De voorzieningenrechter overweegt dat onder het oude recht in het kader van de goede ruimtelijke ordening bij de toets daarvan aandacht moest worden besteed onder meer aan milieugevolgen en ruimtelijke aspecten, waaronder de aspecten geluid en verkeer c.q. parkeerdruk. De wetgever heeft bedoeld voor de invulling van het begrip etfal de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening te continueren. Dit betekent dat het college bij zijn besluitvorming ook milieugevolgen en ruimtelijke aspecten moest betrekken. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de aangevraagde activiteit past in een etfal. Het college wijst slechts naar de ruimtelijke onderbouwing voor de vraag of zij de etfal hebben overwogen. Dit is onvoldoende in het licht van de aangevoerde bezwaren. Een expliciete afweging, waarbij de toets van etfal wordt gedaan in het kader van de aangevoerde bezwaren ontbreekt in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter constateert ambtshalve dat dit een gebrek is in het bestreden besluit.
Geluid
7. Verzoeker is van mening dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet deugt. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat er sprake is van een twee-onder-één-kap-constructie. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond aldus dat het college deze omstandigheid niet bij zijn onderzoek heeft betrokken en dus ten onrechte de in artikel 22.63, eerste lid, van het omgevingsplan genoemde geluidsnormen heeft beoordeeld.
7.1.
De voorzieningenrechter constateert dat het college de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd aan zowel de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 van de VNG als artikel 22.63, eerste lid, van het omgevingsplan getoetst heeft. In dit geval is de omgevingsvergunning verleend na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit worden gegaan van de normen in het omgevingsplan en niet van de Handreiking (die is gebaseerd op het vervallen Activiteitenbesluit milieubeheer).
7.2.
Het college heeft dus terecht getoetst aan artikel 22.63 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college echter aan het derde lid van artikel 22.63 van het omgevingsplan moeten toetsen. In deze bepaling zijn namelijk waarden opgenomen voor het voorkomen en beperken van geluidshinder in geluidsgevoelige ruimtes binnen een in- of aanpandig geluidsgevoelig gebouw. Ter zitting is vastgesteld dat het gebouw waar de kinderopvang gevestigd is direct verbonden is met de woning van verzoeker in de vorm van een twee-onder-een-kap-constructie. Aangezien een gebouw met een woonfunctie is aan te merken als een geluidsgevoelig gebouw, is de woning van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter een in- dan wel aanpandig geluidsgevoelig gebouw. [4] Hiervoor gelden dus de normen van artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan.
7.3.
Uit het akoestisch onderzoek van 19 februari 2025 dat in opdracht van vergunninghouder is verricht, blijkt niet dat er een toets aan de geluidsnormen die in het derde lid van artikel 22.63 van het omgevingsplan zijn opgenomen heeft plaatsgevonden. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft het door vergunninghouder overgelegde akoestisch onderzoek beoordeeld. In het advies van 4 april 2025 zijn de hiervoor genoemde geluidswaarden echter ook niet betrokken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college het akoestisch onderzoek daarom niet ten grondslag leggen aan de besluitvorming. Dit is een gebrek in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt.
Parkeerdruk
8. Verzoeker is van mening dat de parkeerdruk onjuist berekend is.
8.1.
Het college heeft de parkeerbehoefte in het bestreden besluit berekend aan de hand van de Beleidsregels Nota Parkeernormen Gemeente Moerdijk (de parkeernota). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op goede gronden kunnen aansluiten bij de functie Kinderdagverblijf (exclusief Kiss & Ride). Dit sluit namelijk het beste aan bij een buitenschoolse opvang en is de meest vergelijkbare functie. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is in de parkeernota een stappenplan opgenomen.
8.2.
Stap 1: de normatieve parkeerbehoefte wordt berekend door de vastgestelde parkeernorm te vermenigvuldigen met de hoeveelheid van de te realiseren functie(s). Indien er voor een functie geen norm is opgenomen, dient de norm te worden gehanteerd die geldt voor de meest vergelijkbare functie.
De voorzieningenrechter gaat voor de berekening van de normatieve parkeerbehoefte uit van het brutovloeroppervlak. Dit leidt de voorzieningenrechter af uit de gebruikte oppervlaktewaardes in de bijlage 1 en 2 van de parkeernota. Ter zitting kon het college desgevraagd niet toelichten hoe het gehanteerde bruto vloeroppervlak is berekend. Het bruto vloeroppervlak is gedefinieerd als de vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten, van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het bruto vloeroppervlak verkeerd berekend heeft. Het college heeft namelijk het vloeroppervlak van de gang, de overloop, de kast, het toilet en de opslag niet meegerekend. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een gebrek.
8.3.
Stap 2: De parkeereis dient door de initiatiefnemer te worden gerealiseerd. Er dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheidspercentages van een functie.
Indien dubbelgebruik of salderen van toepassing is, wordt hiermee rekening gehouden bij het bepalen van de parkeereis.
Een parkeereis met een cijfer achter de komma, wordt altijd naar boven afgerond.
Het college heeft in het bestreden besluit gesaldeerd met parkeerplaatsen van het fitnesscentrum dat voorheen in het gebouw van de kinderopvang zat. Hoe moet worden gesaldeerd is uitgewerkt in artikel 10 van Pro de parkeernota. Uit deze bepaling volgt dat salderen alleen kan met parkeerplaatsen die daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Ter zitting is vast komen te staan dat het fitnesscentrum de parkeerplaatsen waarmee gesaldeerd is nooit heeft gerealiseerd. Dit betekent dat er niet kan worden gesaldeerd. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook een gebrek. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Zoals hiervoor is overwogen in r.o. 6, 7.3 en 8.2 en 8.3 kent het bestreden besluit verschillende gebreken. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de voorzieningenrechter dan een tussenuitspraak. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.1.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzieningenrechter verzoeker in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
9.2.
De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
10. Ter zitting is besproken dat momenteel zes tot tien kinderen daadwerkelijk gebruik maken van de buitenschoolse opvang. Verzoeker heeft gezegd dat de kinderen niet buitenspelen en dus de overlast gering is. Daartegenover staat het belang van vergunninghouder voor het openhouden van de buitenschoolse opvang, waarvan meerdere ouders afhankelijk zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt dit belang zwaarder dan het belang van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- draagt het college op binnen twee weken de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt verzoeker in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van de herstelpoging daarop te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 1 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteit te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a van het Bkl
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsplan gemeente Moerdijk
Artikel 22.63 van het omgevingsplan
1. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
[…]
3. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.
Artikel 22.280 van het omgevingsplan
Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Artikel 22.281 van het omgevingsplan
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Bestemmingsplan ‘KernKlundert’
Artikel 5.1 van de planregels
De voor ‘Centrum – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. indien het functies betreffen die worden uitgeoefend op de begane grondlaag van gebouwen:
detailhandel, met dien verstande dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
dienstverlening;
maatschappelijke voorzieningen;
cultuur en ontspanning;
kantoren;
horecabedrijven uit ten hoogste categorie 1a, 1b en 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;
ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3': tevens horecabedrijven tot en met categorie 3 van de Staat van Horeca-activiteiten;
b. indien het functies betreffen die worden uitgeoefend op de verdiepingen van gebouwen:
kantoren;
opslag en/of sanitaire voorzieningen ten dienste van en in directe relatie met de onder a genoemde functies;
c. wonen, met aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, voor zover het vloeroppervlak niet meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de betrokken woning met een maximum van 60 m²;
d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
Artikel 5.5.2 van de planregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1, onder a, ten behoeve van het gebruik van de verdieping voor functies die zijn toegestaan op de begane grond, mits:
de bedrijfsmatige noodzaak wordt aangetoond;
geen hinder voor de omgeving optreedt;
de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld is gewaarborgd;
er wordt voldaan aan het gestelde bij en krachtens de Wet geluidhinder;
de verkeers- en brandveiligheid en sociale veiligheid zijn gewaarborgd;
geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Beleidsregels Nota Parkeernormen
Artikel 3. Normatieve parkeerbehoefte - STAP 1
1) De normatieve parkeerbehoefte voor een ruimtelijke ontwikkeling wordt berekend door de vastgestelde parkeernorm te vermenigvuldigen met de hoeveelheid (absolute aantallen, m2’s, kamers, etc.) van de te realiseren functie(s). (Bijlage 1 en 2)
2) Indien er voor een functie geen norm is opgenomen, dient de norm te worden gehanteerd die geldt voor de meest vergelijkbare functie;
Artikel 4. Vaststellen parkeereis – STAP 2
1) De parkeereis dient door de initiatiefnemer/ontwikkelaar te worden gerealiseerd;
2) Bij het vaststellen van de parkeereis wordt rekening gehouden met de aanwezigheidspercentages van een functie (bijlage 3) en het benodigde aantal parkeerplaatsen op het daaruit volgende maatgevende moment.
3) Indien dubbelgebruik of salderen van toepassing is, wordt hiermee rekening gehouden bij het bepalen van de parkeereis (zie artikel 9 en Pro artikel 10).
4) Een parkeereis met een cijfer achter de komma, wordt altijd naar boven afgerond.
Artikel 10.
Salderen bij vaststellen parkeereis (indien van toepassing)
1) Enkel parkeerplaatsen die daadwerkelijk aanwezig/gerealiseerd zijn voor een eventuele oude/vorige functie, kunnen worden gesaldeerd ten behoeve van de nieuwe functie, waarbij saldering enkel mag worden toegepast op panden die niet langer dan 5 jaar leeg staan.
2) Bij het salderen van parkeerplaatsen worden de maatgevende aanwezigheidspercentages van zowel de oude, als de nieuwe functie (bijlage 3) toegepast en tegen elkaar afgezet.
3) Bij het salderen van parkeerplaatsen wordt de huidige maximale loopafstand van zowel de oude als de nieuwe functie (Bijlage 4) toegepast en tegen elkaar afgezet.
4) Bij het salderen wordt rekening gehouden met fysieke wijzigingen (bijv. vervallen parkeerplaatsen) binnen de omgeving die na goedkeuring van de oude functie hebben plaatsgevonden;
5) Bij het salderen wordt rekening gehouden met wijzigingen in wet-/regelgeving (bijv. invoer parkeerregelingen) die in een omgeving na goedkeuring van de oude functie hebben plaatsgevonden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
2.Zie artikel 22.280 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
3.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, waarin uitgebreider is stilgestaan bij artikel 22.281 van de bruidsschat.
4.Zie bijlage I bij artikel 1.1 van het Bkl in samenhang met artikel 3.21, eerste lid en onder a, van het Bkl.