Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4867

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/1902
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Eiser was fulltime schilder via een uitzendbureau en viel uit door neurologische klachten na een trauma-ongeval. Zijn dienstverband eindigde per 17 januari 2023 en hij ontving een Ziektewetuitkering vanaf 19 januari 2023. Het UWV beëindigde deze uitkering per 19 april 2024 omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank beoordeelde of de beperkingen van eiser juist waren vastgesteld. De medische beoordeling door verzekeringsartsen van het UWV concludeerde dat er geen objectief vastgestelde beperkingen waren die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. Hoewel eiser psychische klachten en pijn aanvoerde, waren deze niet medisch objectief vastgesteld op de datum in geding. De verzekeringsarts b&b nam wel aanvullende beperkingen aan voor stressvolle werkzaamheden en beperkte werktijden.

De arbeidsdeskundige stelde geschikte functies vast voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid. Op basis hiervan concludeerde het UWV dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank vond de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en voldoende onderbouwd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering rechtmatig is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1902 ZW

uitspraak van 5 juni 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit, de verwijzing naar het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarin beantwoordt de rechtbank de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is terecht vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is (arbeidskundige beoordeling)? Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is fulltime werkzaam geweest als schilder via een uitzendbureau. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege neurologische klachten aan zijn linker onderbeen na een trauma-ongeval. Door zijn ziekmelding op 17 januari 2023 is zijn dienstverband met het uitzendbureau per die datum verbroken.
2.1.
Met het besluit van 22 februari 2023 heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend per 19 januari 2023.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 18 maart 2024 (primair besluit) aan eiser meegedeeld dat zijn ZW-uitkering met ingang van 19 april 2024 wordt beëindigd. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [gemachtigde] namens het UWV.
3.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) op eisers aanvullend beroepschrift in te dienen.
3.5.
Het UWV heeft een nadere rapportage van de verzekeringsarts b&b, een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een nadere rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) ingediend. Eiser heeft op deze stukken gereageerd.
3.6.
Partijen hebben desgevraagd aangegeven dat zij niet op een nadere zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek bij brief van 24 april 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
6.1.
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat de rapportage van de verzekeringsarts, de stukken in het dossier en het eigen onderzoek voldoende gegevens bevatten om tot een heroverweging te komen. Eiser was op de datum in geding (19 april 2024) al geruime tijd niet meer onder behandeling bij de behandelend sector. Hierdoor was er geen aanleiding om informatie op te vragen. Met de primaire arts is de verzekeringsarts b&b van mening dat geen objectiveerbare psychopathologie aanwezig is en geen cognitieve tekorten zijn geconstateerd. Op datum in geding ontbreken hinderlijk, belemmerende psychische klachten. Als hier wel sprake van was, had eiser kosteloos hulp kunnen zoeken en krijgen bij zijn huisarts. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding voor de door eiser gestelde aanvullende beperkingen ten aanzien van zitten en staan (tijdens het werk) en traplopen, omdat dit standpunt niet met (nieuwe) medische stukken is onderbouwd en evenmin uit onderzoek is gebleken. Ook zijn er volgens de verzekeringsarts b&b onvoldoende zwaarwegende argumenten voor een urenbeperking op basis van de standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid”. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de beperkingen van eiser niet zijn onderschat en de bezwaargronden geen aanleiding geven voor aanpassing van de FML van 7 maart 2024.
7.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij (blijvende) psychische klachten heeft overgehouden aan het incident, slecht slaapt, herbelevingen heeft en dagelijks en constant pijn heeft in zijn linker onderbeen en -voet. Op grond van deze klachten moeten volgens eiser (meer) beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van traplopen en zitten worden aangenomen. Dat hij voor deze klachten op de datum in geding geen behandeling meer volgde en de klachten in het korte onderzoek bij de verzekeringsarts b&b niet zijn gezien, doet hier volgens eiser niet aan af. Sinds juni 2025 volgt eiser weer wel een behandeling voor zijn psychische klachten, waaruit volgens hem blijkt dat die klachten ook op de datum in geding al aanwezig waren. Ook moet volgens eiser een urenbeperking worden aangenomen op energetische gronden vanwege de structurele vermoeidheid door de voortdurende pijn en slecht slapen. Tot slot geeft eiser aan dat hij zelf niet de financiële middelen heeft om een deskundigenonderzoek te laten doen. Daarom verzoekt hij de rechtbank om een onafhankelijk psychiater of psycholoog aan te wijzen die zijn psychische klachten en de gevolgen daarvan in kaart kan brengen.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft naar aanleiding van het (aanvullend) beroepschrift met medische bijlagen nader gerapporteerd. De verzekeringsarts b&b schrijft dat op basis van de huidige meer ernstige PTSS-klachten naast de summiere informatie rondom datum in geding, niet gesteld kan worden dat eiser op de datum in geding geen enkele last had van klachten door zijn traumatische ervaring, maar ook niet dat de klachten en beperkingen even ernstig zijn zoals nu beschreven. Zij ziet hierin aanleiding haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In de FML van 24 december 2025 worden aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van stressvolle werkzaamheden met veel deadlines en productiepieken, sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden of taakinhoud, conflicthantering (fysiek en mondeling) en werken in nachtdiensten. De verzekeringsarts b&b acht eiser daarnaast beperkt tot maximaal 8 uur per dag werken en 40 uur per week.
7.4.
Eiser heeft op de rapportage van de verzekeringsarts b&b gereageerd. Hij kan de overwegingen en aanvullingen in de FML grotendeels volgen, maar meent dat er daarnaast nog aanvullend beperkingen moeten worden aangenomen op de onderdelen samenwerken en omgaan met emoties van anderen wegens de vergrote behoedzaamheid van eiser. Ook wordt er, ondanks het erkennen dat eiser slecht slaapt vanwege nachtmerries en pijnklachten en vermoeid wakker wordt, in feite en ten onrechte geen urenbeperking aangenomen.
7.5.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de (aanvullende) rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde lichamelijke en psychische klachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak de subjectieve beleving en ervaring van klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij eiser zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen, die zich voordoen op de datum in geding (19 april 2024), zijn van belang. [1]
Eiser heeft aangevoerd dat hij wegens zijn vergrote behoedzaamheid aanvullend beperkt moet worden geacht op de onderdelen samenwerken en omgaan met emoties van anderen.
De rechtbank stelt vast dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen niet blijkt dat eiser klachten of beperkingen ten aanzien van deze onderdelen naar voren heeft gebracht. Volgens de toelichting op het CBBS gaat het bij deze onderdelen om het samen met anderen een taak uit kunnen voeren dan wel afstand kunnen nemen van emotionele problemen van anderen. Uit de medische stukken in het dossier blijkt niet dat eiser daartoe niet in staat is. De verzekeringsarts b&b heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht, vanwege de vergrote behoedzaamheid wel een beperking aangenomen voor conflicthantering, waarbij het gaat om contact met agressieve of onredelijke mensen.
Daarnaast heeft eiser een urenbeperking geclaimd uit energetisch oogpunt. In de Standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid” is bij de indicatie ‘stoornis in de energiehuishouding’ opgenomen dat de noodzaak voor extra recuperatieperiodes logisch moet volgen uit consistente en samenhangende onderzoeksbevindingen en de aard en ernst van het onderliggende medische beeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende ingebracht om vast te kunnen stellen dat sprake is van een medische noodzaak voor extra herstelperiodes rond de datum in geding. De verzekeringsartsen zien hiertoe ook geen aanleiding. Zij hebben navolgbaar gerapporteerd dat eiser wisselend slaapt en geen pijnmedicatie gebruikt om ’s nachts beter te kunnen slapen. Eiser is daarom terecht uitsluitend ongeschikt geacht voor nachtdiensten. Er is verder geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen.
Niet gebleken is dat in de (nieuwe) FML van 24 december 2025 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden geacht, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
7.6.
Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, wordt geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een medisch onafhankelijk deskundige.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML van 7 maart 2024, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: wikkelaar (nieuw en revisie; SBC-code 267053), productiemedewerker industrie (samentellen van producten; SBC-code 111180) en kassamedewerker, caissière (SBC-code 317030). Daarnaast bleken de volgende functies geschikt: textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel; SBC-code 111160) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043).
8.1.
Naar aanleiding van de nieuw vastgestelde FML van 24 december 2025 heeft de arbeidsdeskundige b&b onderzocht of er aanleiding is af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige b&b acht de functies van wikkelaar en kassamedewerker niet (langer) geschikt. De volgende functies zijn ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (samentellen van producten; SBC-code 111180), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel; SBC-code 111160) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043).
8.2.
Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die, ook na herbeoordeling in de beroepsfase, leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 19 april 2024.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 5 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:106.